ECLI:NL:GHSHE:2022:926

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
22 maart 2022
Publicatiedatum
22 maart 2022
Zaaknummer
200.294.933_01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 lid 2 Rome I-verordeningArt. 7 lid 1 sub a Brussel I bis-VerordeningArt. 24 lid 1 EEX-verordeningArt. 25 EEX-verordeningArt. 7A:1777 BW
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid Nederlandse rechter bij mondelinge bruikleenovereenkomst en plaats teruggave bakken

Partijen sloten op 28 november 2017 een mondelinge bruikleenovereenkomst op het kantoor van geïntimeerde in Nederland. Hierbij stelde geïntimeerde bakken en deksels ter beschikking aan klanten van Ribaco in België voor het verzamelen van oud papier en karton. Ribaco voerde aan dat de bruikleenovereenkomsten pas ontstonden bij het ter beschikking stellen van de bakken aan haar Belgische klanten, waardoor België bevoegd zou zijn.

Het hof oordeelde dat de overeenkomst op 28 november 2017 tot stand kwam, omdat vanaf dat moment Ribaco in staat werd gesteld de bakken te gebruiken. Het toepasselijke recht is Nederlands recht, omdat geïntimeerde in Nederland is gevestigd en de kenmerkende prestatie het uitlenen van bakken betreft. De teruggave van de bakken moet plaatsvinden op de plaats waar zij zich bevonden bij het ontstaan van de terugvorderingsverplichting, namelijk in Nederland.

Ribaco stelde dat de Nederlandse rechter niet bevoegd was, maar het hof verwierp dit. Er was geen nauwere band met België en het was voor Ribaco voorzienbaar dat zij in Nederland zou worden opgeroepen. Het hof bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter en veroordeelde Ribaco in de proceskosten van het hoger beroep.

Uitkomst: De Nederlandse rechter is bevoegd en het vonnis van de kantonrechter wordt bekrachtigd; Ribaco wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.294.933/01
arrest van 22 maart 2022
in de zaak van
de rechtspersoon naar Belgisch recht
Ribaco B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] (België),
appellante,
hierna aan te duiden als: Ribaco,
advocaat: mr. S.H.O. Aben,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Oud Papiercentrale [[ X ]] B.V.
gevestigd te [vestigingsplaats],
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als: [geïntimeerde],
advocaat: mr. D. Dronkers.
als vervolg op het tussenarrest van dit hof van 13 juli 2021 in het hoger beroep van het door de kantonrechter Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen vonnis in het opgeworpen bevoegdheidsincident van 17 februari 2021.

5.Het verdere verloop in hoger beroep

5.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
  • het tussenarrest van 13 juli 2021 waarbij een mondelinge behandeling is gelast;
  • het proces-verbaal van de mondelinge behandeling na aanbrengen van 1 september 2021;
  • een brief van de advocaat van [geïntimeerde] van 15 september 2021 met producties 1 en 2;
  • het proces-verbaal van de voortgezette mondelinge behandeling na aanbrengen van 17 september 2021;
  • de memorie van grieven van Ribaco, met producties;
  • de memorie van antwoord van [geïntimeerde].
5.2.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op voornoemde stukken en die van de eerste aanleg.

6.De beoordeling

6.1.
Dit geding betreft kort gezegd een bevoegdheidsincident: is de Nederlandse of de Belgische rechter bevoegd om van het tussen partijen gerezen geschil kennis te nemen? Als gesteld en niet (voldoende) betwist vormen de volgende feiten in deze zaak het uitgangspunt.
6.1.1.
Op 28 november 2017 hebben partijen op het kantoor van [geïntimeerde] te [vestigingsplaats] een mondelinge overeenkomst gesloten. [geïntimeerde] heeft vervolgens, op meldingen van Ribaco, haar bakken en deksels ter beschikking gesteld aan klanten van Ribaco ten behoeve van het verzamelen van oud papier en karton.
6.1.2.
De bakken en deksels zijn op verschillende data bij de klanten van Ribaco afgeleverd en vervolgens (meermaals) gewisseld, waarbij de bakken vol oud papier en karton werden teruggebracht naar [geïntimeerde] en nieuwe lege bakken bij de klanten van Ribaco zijn geplaatst. De klanten van Ribaco zijn in België gevestigd.
6.1.3.
[geïntimeerde] heeft bij brief van 12 juni 2020 Ribaco gesommeerd om 420 bakken en deksels die in bruikleen zijn gegeven terug te leveren.
6.2.
In eerste aanleg heeft [geïntimeerde], samengevat, gevorderd te verklaren voor recht dat Ribaco toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst door de terugvordering van [geïntimeerde] te negeren. Daarnaast heeft [geïntimeerde] gevorderd Ribaco te veroordelen tot betaling van de door haar geleden schade, vermeerderd met buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente, welke schade nader bij staat opgemaakt dient te worden. Tot slot heeft [geïntimeerde] gevorderd Ribaco te veroordelen in de proceskosten met wettelijke rente en in de nakosten.
6.3.
In het door Ribaco opgeworpen incident heeft Ribaco, samengevat, gevorderd te verklaren voor recht dat de algemene voorwaarden van [geïntimeerde] op de rechtsverhouding tussen partijen niet van toepassing zijn; voor zover de algemene voorwaarden van [geïntimeerde] van toepassing zijn te bepalen dat deze zijn vernietigd, althans deze te vernietigen. Daarnaast heeft Ribaco gevorderd dat de kantonrechter zich absoluut en/of relatief onbevoegd zal verklaren om van de vordering van [geïntimeerde] kennis te nemen met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten met wettelijke rente en van de nakosten.
6.4.
Bij het beroepen vonnis heeft de kantonrechter, samengevat:
  • in het incident: de vordering van Ribaco afgewezen en Ribaco veroordeeld in de proceskosten;
  • in de hoofdzaak: de zaak naar de rol verwezen voor conclusie van antwoord aan de zijde van Ribaco.
6.5.
Bij brief van 26 februari 2021 heeft Ribaco de kantonrechter verzocht haar verlof te verlenen om tussentijds hoger beroep in te stellen. Bij vonnis van 24 maart 2021 heeft de kantonrechter Limburg, zittingsplaats Roermond, verlof verleend voor het tussentijds instellen van hoger beroep van het vonnis in incident van 17 februari 2021, waarbij in afwachting van de uitspraak in hoger beroep iedere verdere beslissing is aangehouden.
6.6.
In hoger beroep formuleert Ribaco vijf grieven en concludeert Ribaco dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en haar vorderingen in het incident tot absolute onbevoegdheid alsnog zal toewijzen met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.
6.7.
[geïntimeerde] weerspreekt de grieven en concludeert de vorderingen in hoger beroep van Ribaco ongegrond te verklaren en Ribaco te veroordelen in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep.
6.8.
De eerste grief van Ribaco heeft betrekking op rechtsoverweging 2.2. van het vonnis, abusievelijk in de memorie van grieven rechtsoverweging 4.2. genoemd. In rechtsoverweging 2.2. is het standpunt van [geïntimeerde], zoals door [geïntimeerde] in punt 8 van haar conclusie van antwoord in het bevoegdheidsincident geschreven, opgenomen. Niet gebleken is dat deze weergave onjuist is. Deze grief faalt derhalve.
6.9.
In de grieven 2 en 3 (die zich lenen voor gezamenlijke behandeling) stelt Ribaco dat de kantonrechter ten onrechte de overeenkomst van 28 november 2017 heeft aangemerkt als een tussen partijen gesloten bruikleenovereenkomst. Volgens Ribaco was er (het hof begrijpt) 28 november 2017 slechts sprake van een intentieovereenkomst en zijn vervolgens meerdere bruikleenovereenkomsten pas ontstaan op de momenten dat [geïntimeerde] de bakken en deksels aan de klanten van Ribaco (in België) ter beschikking heeft gesteld. Omdat de bruikleenovereenkomsten, door het ter beschikking stellen van de bakken, in België zijn ontstaan is ook in België de verplichting tot teruggave ontstaan.
6.10.
Nu er in de (mondelinge) overeenkomst van 28 november 2017 door partijen geen keuze is gemaakt ten aanzien van het toepasselijk recht wordt op grond van artikel 4 lid 2 Rome Pro I (verordening (EG) 593/2008) de overeenkomst tussen partijen beheerst door het recht van het land waar de partij die de kenmerkende prestatie van de overeenkomst moet verrichten, haar gewone verblijfplaats heeft. De kenmerkende prestatie tussen partijen betreft in deze zaak het uitlenen van bakken en deksels door [geïntimeerde] aan de klanten van Ribaco. Nu [geïntimeerde] haar vestigingsplaats in Nederland heeft en niet is gebleken van een nauwere band met een ander land, is het Nederlandse recht van toepassing.
6.11.
Het hof stelt voorop dat op grond van artikel 7A:1777 BW een bruikleenovereenkomst tot stand komt doordat de uitlener een zaak daadwerkelijk aan de bruiklener ten gebruike geeft. Het daadwerkelijk ten gebruike geven is, in tegenstelling tot hetgeen Ribaco stelt, niet noodzakelijk het feitelijk overhandigen van de zaak door de uitlener, maar wel het in staat stellen van de bruiklener om het geleende in gebruik te nemen.
6.12.
Uit de vrachtbrieven en de e-mailcorrespondentie tussen partijen (productie 3 bij dagvaarding in eerste aanleg) blijkt dat het in gebruik nemen van de bakken en deksels door Ribaco bestaat uit het doen van meldingen aan [geïntimeerde] omtrent het ophalen en wegbrengen van de bakken en deksels van en naar Ribaco’s klanten. Ribaco vult de bakken niet zelf met oud papier en karton. Dat doen juist haar klanten. De mogelijkheid voor Ribaco om aan [geïntimeerde] deze meldingen te doen is niet pas ontstaan bij het ter beschikking stellen van de bakken en deksels aan de klanten van Ribaco, maar bij het aangaan van de overeenkomst op 28 november 2017. Vanaf dat moment heeft [geïntimeerde] Ribaco in staat gesteld de bakken en deksels in gebruik te nemen als bedoeld in artikel 7A:1777 BW.
6.13.
Gelet op het bovenstaande is het hof van oordeel dat de bruikleenovereenkomst op 28 november 2017 tussen partijen tot stand is gekomen. In de overeenkomst van 28 november 2017 is geen plaats van teruggave van de bakken en deksels aangewezen. Op grond van artikel 6:41 sub a BW Pro dienen de goederen te worden teruggegeven op de plaats waar de goederen zich bevonden toen de verbintenis tot teruggave ontstond. Op het moment van het aangaan van de overeenkomst is de verbintenis tot teruggave van de bakken en deksels ontstaan. Op 28 november 2017 bevonden de bakken en deksels zich in Weert, daar moeten de bakken en deksels ook worden teruggebracht. Grief 2 en 3 missen derhalve doel.
6.14.
In haar vierde grief voert Ribaco aan dat de kantonrechter ten onrechte de incidentele vordering tot onbevoegdheid heeft afgewezen, omdat de vordering van [geïntimeerde] een nauwere band zou hebben met België dan met Nederland.
6.15.
De inleiding op de Brussel I bis-Verordening geeft met betrekking tot het bestaan van een nauwe band tussen een vordering en een lidstaat het volgende aan:
“Naast de woonplaats van de verweerder moeten er alternatieve bevoegdheidsgronden mogelijk zijn, gebaseerd op de nauwe band tussen het gerecht en de vordering of de noodzaak een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken. Het bestaan van een nauwe band moet zorgen voor rechtszekerheid en de mogelijkheid vermijden dat de verweerder wordt opgeroepen voor een gerecht van een lidstaat dat door hem redelijkerwijs niet voorzienbaar was. Dat is met name belangrijk bij geschillen betreffende niet-contractuele verbintenissen die voortvloeien uit een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer of op de persoonlijkheidsrechten, met inbegrip van smaad.”
6.16.
Dat de vordering van [geïntimeerde] een nauwere band heeft met België dan met Nederland is het hof niet gebleken. Onbestreden en terecht heeft de kantonrechter (in het beroepen vonnis r.o. 2.3.) geoordeeld dat artikel 7 lid 1 sub a Brussel Pro I bis-Verordening als alternatieve bevoegdheidsgrond voor artikel 4 Brussel Pro I bis-Verordening de mogelijkheid geeft om een persoon die woonplaats heeft in een lidstaat ook in een andere lidstaat op te roepen ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst, voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd.
De feitelijke uitvoering van verbintenissen uit deze overeenkomst heeft in beide landen plaatsgevonden, zodat hieruit niet kan volgen dat de vordering van [geïntimeerde] een nauwere band heeft met België dan met Nederland. Gesteld noch gebleken is dat het voor Ribaco redelijkerwijs niet voorzienbaar was dat zij zou worden opgeroepen voor het gerecht in Nederland, zodat geen grond bestaat voor het oordeel dat beoordeling van de vordering door een Nederlandse rechter afbreuk zou doen aan de rechtszekerheid.
6.17.
Dat het de efficiëntie van de procedure naar het oordeel van Ribaco ten goede zou komen wanneer zij voor het bevoegde gerecht in België zou worden opgeroepen biedt, los van de vraag of dit standpunt juist is, geen juridische grond om de kantonrechter in Limburg onbevoegd te achten.
6.18.
Ribaco gaat verder in haar vierde grief nog in op het beroep dat [geïntimeerde] heeft gedaan op artikel 24 lid 1 en Pro artikel 25 EEXvo Pro. Het hof laat zowel het beroep van [geïntimeerde] als het verweer van Ribaco ten aanzien van deze artikelen onbesproken, nu reeds op grond van artikel 7 lid 1 sub a Brussel Pro I bis-Verordening de absolute bevoegdheid van de Nederlandse rechter is gegeven.
6.19.
Alles bij elkaar concludeert het hof dat de Nederlandse rechter bevoegd is om van het geschil in de hoofdzaak kennis te nemen en dat de rechtbank de door Ribaco opgeworpen vordering in het incident terecht heeft afgewezen. Nu de grieven 1, 2, 3 en 4 doel missen, verwerpt het hof ook de daarop voortbouwende (tegen de proceskostenbeslissing in het incident van de rechtbank opgeworpen) grief 5. Het beroepen vonnis zal worden bekrachtigd voor zover dat in hoger beroep voorligt. Het hof zal Ribaco als de in het ongelijk te stellen partij veroordelen in de proceskosten van het beroep, met de door [geïntimeerde] gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

7.De uitspraak

Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor zover dat gewezen is in het incident;
veroordeelt Ribaco in de proceskosten van het beroep aan de zijde van [geïntimeerde] en begroot die kosten tot op heden op € 772,-- aan griffierecht en op € 2.785,-- aan salaris advocaat;
verklaart de bovenstaande proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. E.H. Schulten, J.M.H. Schoenmakers en mr. A. Wijsman-Van Veen en in het openbaar uitgesproken op 22 maart 2022.
griffier rolraadsheer