ECLI:NL:GHSHE:2022:932

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
22 maart 2022
Publicatiedatum
23 maart 2022
Zaaknummer
20-003143-16
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 Wet wapens en munitieArt. 6 EVRMArt. 27 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep wegens bezit vuurwapen en munitie met strafvermindering wegens termijnoverschrijding

In deze strafzaak stond verdachte terecht voor medeplegen gijzeling en het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie. De rechtbank sprak verdachte vrij van medeplegen gijzeling en veroordeelde hem tot 289 dagen gevangenisstraf voor het bezit van een wapen van categorie II en munitie.

De officier van justitie ging in hoger beroep en vorderde een gevangenisstraf van 2,5 jaar. De verdediging stelde niet-ontvankelijkheid van het OM wegens schending van het recht op een eerlijk proces en overschrijding van de redelijke termijn, en pleitte vrijspraak voor medeplegen gijzeling. Het hof verwierp het niet-ontvankelijkheidsverweer op basis van jurisprudentie van de Hoge Raad dat termijnoverschrijding niet leidt tot niet-ontvankelijkheid, maar tot strafvermindering.

Het hof bevestigde de vrijspraak voor medeplegen gijzeling en veroordeelde verdachte voor het bezit van het geladen wapen. Gelet op de ernst van het feit en het justitieel verleden achtte het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend. De redelijke termijn in hoger beroep was echter met ruim 3 jaar overschreden, waardoor het hof de straf matigde tot 216 dagen met aftrek van voorarrest.

De overige onderdelen van het vonnis van de rechtbank bleven ongewijzigd. De vordering van de benadeelde partij was niet meer aan de orde wegens overlijden zonder voortzetting door erfgenamen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 216 dagen gevangenisstraf met aftrek van voorarrest wegens bezit geladen vuurwapen, met strafvermindering wegens overschrijding redelijke termijn.

Uitspraak

Parketnummer : 20-003143-16
Uitspraak : 22 maart 2022
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 10 oktober 2016, in de strafzaak met parketnummer 02-800774-14 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
wonende te [adres].
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde (medeplegen gijzeling, dan wel medeplichtigheid daaraan) vrijgesproken en het onder 2 tenlastegelegde bewezen verklaard, dat gekwalificeerd als ‘handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een wapen van categorie II en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie’, de verdachte deswege strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 289 dagen met aftrek van voorarrest. Voorts is de teruggave gelast van de onder de verdachte inbeslaggenomen Apple iPhone 4, een personenauto Ford Ka met [kenteken], een Olympus fototoestel, een dockingstation Olympus en twee spanbanden. De rechtbank heeft het bevel tot voorlopige hechtenis bij vonnis opgeheven. Tot slot is de [benadeelde partij] in zijn vordering niet-ontvankelijk verklaard.
De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Omvang van het hoger beroep
De rechtbank heeft de [benadeelde partij] in de vordering niet-ontvankelijk verklaard. In hoger beroep is gebleken dat de [benadeelde partij] op 29 oktober 2016 is overleden. Het hof overweegt dat het overlijden van de benadeelde partij na het indienen van diens vordering, in beginsel geen beletsel vormt voor het behandelen van de vordering tot schadevergoeding als de erfgenaam of erfgenamen in zijn plaats treden. Gelet op het feit dat de erfgenaam of de erfgenamen niet te kennen hebben gegeven de vordering van [benadeelde partij] in hoger beroep te willen handhaven, is de vordering thans niet meer aan de orde.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen voor het onder feit 1 primair en feit 2 tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren en 6 maanden met aftrek van voorarrest.
Namens de verdachte is primair de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie bepleit in verband met overschrijding van de redelijke termijn en schending van artikel 6 van Pro het EVRM. Subsidiair is vrijspraak bepleit voor het onder 1 tenlastegelegde wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Tot slot heeft de raadsvrouw een strafmaatverweer gevoerd en heeft zij verzocht om teruggave van de inbeslaggenomen goederen.
Ontvankelijkheid openbaar ministerie
De raadsvrouw heeft de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie bepleit omdat het recht van de verdachte op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van Pro het EVRM zou zijn geschonden nu er sprake is van een schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde.
De advocaat-generaal heeft betoogd dat een overschrijding van de redelijke termijn niet leidt tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, maar dient te worden verdisconteerd in de strafmaat.
Het hof overweegt als volgt.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 17 juni 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BD2578), en nogmaals herhaald in zijn arrest van 9 februari 2021 (ECLI:NL:HR:2021:197), bepaald dat een overschrijding van de redelijke termijn niet leidt tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging, ook niet in uitzonderlijke gevallen. De regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de in laatste feitelijke instantie opgelegde straf.
In de door de verdediging aangevoerde specifieke feiten en omstandigheden van het geval ziet het hof onvoldoende grond om tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie te komen.
Het verweer wordt derhalve verworpen.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en met de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de opgelegde straf en de strafmotivering. In hetgeen in hoger beroep door de advocaat-generaal is aangevoerd ziet het hof geen reden om tot een ander oordeel te komen.
Op te leggen sanctie
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging bepleit dat gelet op de overschrijding van de redelijke termijn het niet passend is om een straf op te leggen die er toe zou leiden dat de verdachte wederom gedetineerd zal raken.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen van categorie II en munitie. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens brengt grote risico’s met zich voor de veiligheid van personen. Desondanks heeft de verdachte op enig moment een geladen Škorpion voorhanden gehad. Vanuit het oogpunt van zowel speciale als generale preventie is het van groot belang dat in de strafoplegging tot uiting komt dat het voorhanden hebben van een (geladen) wapen een zeer stevige reactie in de vorm van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van substantiële duur volgt.
Het hof heeft bij de strafoplegging acht geslagen op de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 6 januari 2022, betreffende het justitieel verleden van de verdachte en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals deze ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gebracht.
Alles afwegende is het hof van oordeel dat een onvoorwaardelijk gevangenisstraf voor de duur van 289 dagen in beginsel een passende straf is.
Het hof heeft in aanmerking genomen dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is, onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.
Het hof stelt vast dat de redelijke termijn bij de behandeling in eerste aanleg niet is overschreden.
De aanvang van de termijn in hoger beroep stelt het hof vast op de datum waarop door de officier van justitie hoger beroep is ingesteld, te weten 18 oktober 2016. Het einde van de termijn stelt het hof op 22 maart 2022, de datum waarop het hof arrest zal wijzen. Daarmee is de redelijke termijn in hoger beroep, die voor deze fase doorgaans op twee jaren wordt gesteld, overschreden met 3 jaar en 5 maanden. Het hof acht geen bijzondere omstandigheden aanwezig die deze overschrijding rechtvaardigen.
Het hof zal in verband met de overschrijding van de redelijke termijn volstaan met de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 216 dagen met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, als zijnde passend en geboden.

BESLISSING

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
216 (tweehonderdzestien) dagen;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Aldus gewezen door:
mr. A.J.M. van Gink, voorzitter,
mr. S. Taalman en mr. C.A. van Roosmalen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. R.M. Gloudemans, griffier,
en op 22 maart 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken.