Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Vijver- en Groenspecialist [de V.O.F.] ,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
[appellant] ,wonende te [woonplaats] ,
[appellante] ,wonende te [woonplaats] ,
5.Het verloop van de procedure in hoger beroep
- het tussenarrest van 29 oktober 2019 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;
- het proces-verbaal van de op 10 maart 2020 gehouden comparitie na aanbrengen;
- de door [appellanten] genomen memorie van grieven met producties 1 tot en met 5;
- de door [geïntimeerde] genomen “memorie van antwoord in conventie, tevens memorie van grieven in reconventie”, die het hof zal opvatten als een memorie van antwoord in principaal hoger beroep, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep, tevens houdende een wijziging van eis in reconventie, met producties 1 en 2;
- de door [appellanten] genomen memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep met producties 6 tot en met 19.
6.De beoordeling in principaal en incidenteel hoger beroep
- Is [de V.O.F.] tekortgeschoten in de nakoming van de met [geïntimeerde] gesloten overeenkomst tot renovatie van de vijver bij de woning van [geïntimeerde] ?
- Heeft [geïntimeerde] in verband daarmee de overeenkomst met [de V.O.F.] rechtsgeldig ontbonden?
- Welke financiële verplichtingen hebben partijen nog over en weer?
- a. [appellant] en [appellante] (appellanten in principaal hoger beroep sub 2 en 3) zijn de vennoten van Vijver- en Groenspecialist [de V.O.F.] . (appellante in principaal hoger beroep sub 1, hierna kort aan te duiden als [de V.O.F.] ).
- b. Omstreeks augustus 2016 heeft [geïntimeerde] [de V.O.F.] verzocht om de in het verleden door [de V.O.F.] bij hem aangelegde vijver te renoveren.
- c. Naar aanleiding van dat verzoek heeft [de V.O.F.] op 21 september 2016 een eerste offerte uitgebracht aan [geïntimeerde] .
- d. [de V.O.F.] heeft begin 2017 een aangepaste offerte, gedateerd 23 februari 2017, uitgebracht aan [geïntimeerde] .
- e. Op 23 maart 2017 heeft [geïntimeerde] de op 23 februari 2017 gedateerde offerte ondertekend.
- f. [de V.O.F.] was niet de enige partij die betrokken was bij de renovatie van de vijver. In opdracht en voor rekening van [geïntimeerde] verrichtte [[--]] Bouwbedrijf B.V. ook werkzaamheden die nodig waren voor de renovatie van de vijver. Daarnaast had [de V.O.F.] een aparte onderaannemer ingeschakeld voor het polyesteren van de vijver.
- g. Bij e-mail van 22 juni 2017, met als onderwerpsaanduiding “beindiging werkzaamheden”, heeft [geïntimeerde] aan [de V.O.F.] onder meer het volgende meegedeeld:
- j. [geïntimeerde] heeft de eerste drie facturen voldaan en de laatste twee facturen onbetaald gelaten.
- k. [geïntimeerde] heeft vervolgens werkzaamheden aan de vijver laten verrichten door de firma Vijveraccent. Vijveraccent heeft een deel van de door [de V.O.F.] verrichte werkzaamheden ongedaan gemaakt. Daarbij is gekozen voor een ander concept voor het filteren van het water in de vijver. [de V.O.F.] maakte gebruik van plantfilters, terwijl Vijveraccent gebruik heeft gemaakt van mechanische filtratie.
- l. Vijveraccent heeft voor haar werkzaamheden € 18.221,-- in rekening gebracht aan [geïntimeerde] .
- m. [de V.O.F.] heeft tijdens de uitvoering van de werkzaamheden zestien koikarpers en vijf windes van [geïntimeerde] opgevangen. In totaal zijn dertien koikarpers teruggekeerd bij [geïntimeerde] en geen windes.
- n. [geïntimeerde] heeft in of omstreeks september 2017 10 koikarpers gekocht bij Vijveraccent. Vijveraccent heeft daarvoor bij factuur van 29 september 2017 € 15.000,-- inclusief btw in rekening gebracht aan [geïntimeerde] .
- een hoofdsom van € 24.281,53, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 15 september 2017;
- € 125,-- per week over de periode vanaf 15 september 2017 tot aan de dag waarop [geïntimeerde] zijn vissen bij [de V.O.F.] heeft opgehaald;
- [geïntimeerde] heeft de facturen van [de V.O.F.] van 11 juli 2017 en 21 juli 2017, die tezamen € 26.903,42 belopen, ten onrechte onbetaald gelaten. [geïntimeerde] moet die facturen alsnog voldoen (post A in conventie).
- Daarnaast moet [geïntimeerde] aan [appellanten] € 2.712,-- voldoen voor door [de V.O.F.] ingeplande werkzaamheden waarvoor [de V.O.F.] geen vervangend werk heeft kunnen vinden (post B in conventie).
- Ook moet [geïntimeerde] € 569,36 voldoen voor de factuur van 20 december 2017 (post C in reconventie).
- veroordeling van [appellanten] tot betaling van een hoofdsom van € 74.787,32, vermeerderd met rente zoals omschreven in het petitum van de eis in reconventie;
- veroordeling van [appellanten] in de proceskosten van het geding in reconventie, inclusief nakosten en te vermeerderen met wettelijke rente.
- A. € 21.507,95 ter zake door [de V.O.F.] aan [geïntimeerde] op grond van artikel 6:203 BW Pro althans op grond van de artikelen 6:271 en 6:272 BW terug te betalen bedragen;
- B. € 20.058,37 ter zake door [de V.O.F.] veroorzaakte extra kosten van [[--]] Bouwbedrijf;
- C. € 18.221,-- ter zake kosten van herstelwerkzaamheden door firma Vijveraccent;
- D. € 15.000,-- ter zake de kosten van vervanging van dode of ziek geretourneerde koikarpers.
- De overeenkomst die [geïntimeerde] met [de V.O.F.] heeft gesloten is een overeenkomst van aanneming van werk (rov. 4.2).
- Op [geïntimeerde] rust de bewijslast van zijn stelling dat partijen een oplevertermijn van maximaal vier weken zijn overeengekomen. [geïntimeerde] heeft tegenover het door [appellanten] gevoerde verweer onvoldoende onderbouwd dat partijen een oplevertermijn van maximaal vier weken zijn overeengekomen (rov. 4.5 tot en met 4.9).
- [geïntimeerde] heeft [de V.O.F.] geen uiterste redelijke termijn gesteld om het werk af te ronden. De door [geïntimeerde] ingeroepen ontbinding van de overeenkomst kan dus niet worden gebaseerd op een termijnoverschrijding (rov. 4.10).
- Voor het overige hebben de door [geïntimeerde] ingeroepen gronden voor ontbinding van de overeenkomst en/of schadevergoeding gemeen dat daarvoor een tekortkoming van [de V.O.F.] en in beginsel verzuim nodig is (rov. 4.11).
- Een ingebrekestelling als bedoeld in artikel 6:82 lid 1 BW Pro is door [geïntimeerde] niet verzonden. [de V.O.F.] is dus niet op de voet van artikel 6:82 lid 1 BW Pro in verzuim geraakt (rov. 4.12).
- Artikel 7:759 lid 1 BW Pro is in dit geval niet van toepassing omdat het niet tot een oplevering van het werk door [de V.O.F.] is gekomen (rov. 4.13).
- [de V.O.F.] is ook niet op de voet van artikel 6:82 lid 2 BW Pro in verzuim geraakt (rov. 4.14).
- In dit geval zijn de gevolgen van de niet-nakoming door [de V.O.F.] echter op de voet van artikel 6:80 lid 1 sub a BW Pro ingetreden voordat de vordering opeisbaar is geworden, omdat vast stond dat [de V.O.F.] niet zonder tekortkoming zou hebben kunnen opleveren (rov. 4.16 tot en met 4.18).
- [geïntimeerde] was daarom bevoegd de aannemingsovereenkomst geheel te ontbinden. Er is dus geen grond om [geïntimeerde] te veroordelen om aan [appellanten] een vergoeding te betalen voor de uren die [de V.O.F.] nog stelt te hebben moeten maken om de vijver te kunnen opleveren (rov. 4.18).
- Door de ontbinding van de overeenkomst ontstaan ongedaanmakingsverbintenissen (rov. 4.19).
- [de V.O.F.] heeft niet betwist dat haar prestatie voor [geïntimeerde] geen waarde heeft gehad. [de V.O.F.] moet daarom de van [geïntimeerde] ontvangen betalingen van in totaal € 21.507,95 aan [geïntimeerde] terugbetalen (hof: post A in reconventie), terwijl de vordering van [de V.O.F.] tot betaling van de nog onbetaald gebleven facturen moet worden afgewezen (hof: post A in conventie). [geïntimeerde] zal alle door [de V.O.F.] aan [geïntimeerde] geleverde materialen en installaties aan [de V.O.F.] moeten retourneren (rov. 4.20).
- Over het bedrag van € 21.507,95 is de wettelijke rente toewijsbaar vanaf de datum van ontbinding van de overeenkomst, zijnde 22 juni 2017 (rov. 4.21).
- Het door [geïntimeerde] gevorderde bedrag van € 18.221,-- ter zake kosten van herstelwerkzaamheden door firma Vijveraccent (hof: post C in reconventie) is niet toewijsbaar. Het gaat daarbij om vervangende schadevergoeding. [geïntimeerde] kan niet naast algehele ontbinding van de overeenkomst vervangende schadevergoeding vorderen (rov. 4.25).
- Het door [geïntimeerde] gevorderde bedrag van € 20.058,37 (hof: post B in reconventie) is toewijsbaar. Het gaat hier om kosten die [geïntimeerde] aan [[--]] heeft moeten voldoen doordat [de V.O.F.] haar werkzaamheden niet goed is nagekomen. Over dit bedrag is de wettelijke rente toewijsbaar vanaf de datum van de eis in reconventie, zijnde 19 september 2018 (rov. 4.29).
- [de V.O.F.] moet aan [geïntimeerde] € 300,-- vergoeden omdat van de 21 door [geïntimeerde] aan [de V.O.F.] in bewaring gegeven vissen, er slechts 13 zijn teruggekeerd (rov. 4.32 tot en met 4.34, post D in reconventie).
- [geïntimeerde] moet aan [de V.O.F.] € 4.375,-- voldoen voor de opvang van zijn vissen door [de V.O.F.] in de periode van 15 september 2017 tot begin juni 2018 tegen € 125,-- per week (rov. 4.35, post D in conventie).
- [de V.O.F.] moet als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding in conventie worden veroordeeld (rov. 4.37).
- [de V.O.F.] moet als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding in reconventie worden veroordeeld (rov. 4.40).
- [geïntimeerde] in conventie veroordeeld om aan [appellanten] € 4.375,-- te betalen (post D in conventie);
- [appellanten] in de proceskosten van het geding in conventie veroordeeld;
- het in conventie meer of anders gevorderde afgewezen;
- [appellanten] in reconventie veroordeeld om aan [geïntimeerde] € 41.866,32 te betalen (€ 21.507,95 ter zake post A, € 20.058,37 ter zake post B en € 300,-- ter zake post D), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over € 21.507,95 vanaf 22 juni 2017 en over € 20.358,37 vanaf 19 september 2018;
- [appellanten] in de proceskosten van het geding in reconventie veroordeeld;
- het in reconventie meer of anders gevorderde afgewezen.
- het alsnog geheel toewijzen van de vorderingen van [appellanten] in conventie;
- veroordeling van [geïntimeerde] tot terugbetaling van al hetgeen [appellanten] op grond van het beroepen vonnis aan [geïntimeerde] hebben voldaan, vermeerderd met de wettelijke rente over het betaalde vanaf de dag van de betaling tot de dag van de terugbetaling;
- veroordeling van [geïntimeerde] tot vergoeding van de schade die [appellanten] hebben geleden en/of zullen lijden als gevolg van de uitvoering van het beroepen vonnis;
- 1) afwijzing van de vorderingen van [appellanten] in conventie, en bekrachtiging van het beroepen vonnis voor zover daarbij de vorderingen van [geïntimeerde] in reconventie zijn toegewezen, behalve voor zover daarvan wordt afgeweken in de onderstaande verdere vorderingen;
- 2) te bepalen dat – in afwijking van rov. 4.20 van het vonnis – van de door [de V.O.F.] aan [geïntimeerde] geleverde materialen en installaties alleen de trommelfilters geretourneerd moeten worden en dat een vervangende redelijke vergoeding voor deze materialen door [geïntimeerde] moet worden voldaan van € 6.445,00, welke mag worden verrekend met de door [appellanten] aan hiervan [geïntimeerde] te betalen bedragen;
- 3) te bepalen dat de verplichting van [geïntimeerde] om de trommelfilters te retourneren vervalt indien [de V.O.F.] hieraan niet meewerkt binnen 14 dagen na het te wijzen arrest, zonder dat terzake enige andere verplichting ontstaat van [geïntimeerde] jegens [appellanten]
- 4)
- € 21.507,95 ter zake post A in reconventie;
- € 20.058,37 ter zake post B in reconventie;
- € 15.000,-- ter zake post D in reconventie.
- € 18.221,-- ter zake post A in reconventie (op de subsidiair genoemde grondslag ongerechtvaardigde verrijking);
- € 20.058,37 ter zake post B in reconventie;
- € 15.000,-- ter zake post D in reconventie.
- post A in reconventie ter zake terugbetaling van de door [geïntimeerde] op de facturen van [de V.O.F.] betaalde bedragen alsnog moet worden afgewezen;
- post A in conventie ter zake de facturen van 11 juli 2017 en 21 juli 2017 (tezamen € 26.903,42 belopend) alsnog moet worden toegewezen;
- post B in conventie ten bedrage van € 2.712,-- ter zake door [de V.O.F.] ingeplande werkzaamheden waarvoor [de V.O.F.] geen vervangend werk heeft kunnen vinden, alsnog moet worden toegewezen;
- post C in conventie tot betaling van de factuur van 20 december 2017 ten bedrage van € 569,36 alsnog moet worden toegewezen.
- 7 uren op 10 mei 2017;
- 12 uren op 11 mei 2017;
- 7 uren op 15 juni 2017;
- 4,5 uur op 16 juni 2017.
- [geïntimeerde] heeft de overeenkomst met [de V.O.F.] ten onrechte buitengerechtelijk ontbonden en het [de V.O.F.] ten onrechte niet toegestaan haar werkzaamheden te voltooien en zo nodig te verbeteren. De gestelde extra werkzaamheden die daarop betrekking hebben komen dus niet voor vergoeding in aanmerking.
- De overeenkomst tussen [geïntimeerde] en [de V.O.F.] strekte ertoe dat [de V.O.F.] de bestaande vijver zou renoveren. [geïntimeerde] heeft na het sluiten van de overeenkomst echter gekozen voor een geheel nieuw en ander filtersysteem / vijversysteem. De daardoor veroorzaakte extra werkzaamheden kan [geïntimeerde] niet voor rekening van [de V.O.F.] brengen.
- Hetgeen in de verklaring van [[--]] Bouwbedrijf wordt gesteld over het polyesterwerk is volstrekt onjuist.
- uren die [[--]] Bouwbedrijf hoe dan ook heeft moeten verrichten in het kader van de renovatie van de vijver;
- extra uren die zijn veroorzaakt doordat [geïntimeerde] pas na het sluiten van de overeenkomst heeft gekozen voor een ander vijversysteem / filtersysteem.
- de post D in conventie ter zake kosten van verzorging van de vissen;
- de post D in reconventie tot vergoeding van de waarde van niet geretourneerde vissen.
- De verklaring van [persoon B] , eigenaar van [[bedrijf]] Netherlands BV en [[bedrijf]] Japan, die de 14 koikarpers op 4 december 2017 bij [de V.O.F.] heeft gezien en die er, omdat zij in de loop van de jaren in waarde zijn verminderd, oude littekens hebben of zijn krom gegroeid of andere mankementen hebben een economische waarde aan toekent van in totaal € 500,-- (productie 12 bij de inleidende dagvaarding).
- De verklaring van [dierenarts] (productie 9 bij de inleidende dagvaarding), waarin bevestigd wordt dat de oude (maar inmiddels genezen) verwondingen al aanwezig waren vóórdat de vissen vanuit de vijver van [geïntimeerde] bij [de V.O.F.] werden opgevangen. Het gaat daarbij om een duidelijk litteken op de huid van de grootste Chagoi, een oude beschadiging aan het oog bij de grote Sanke, een vis die krom is en enkele vissen die een beschadigde borstvin of rugvin hebben opgelopen.
- De verklaring van de door [geïntimeerde] ingeschakelde koidokter, waaruit blijkt dat de vissen die vanuit de bassins van [de V.O.F.] aan [geïntimeerde] zijn geretourneerd, geen infectieuze ziekten (parasieten, bacteriën, schimmels) hadden (prod. 16 bij de inleidende dagvaarding). Dit wijst erop dat de verzorging van de vissen bij [de V.O.F.] in zoverre niet te wensen heeft overgelaten. Hetzelfde blijkt overigens ook uit de zojuist genoemde verklaring van [dierenarts] (de waterkwaliteit bij [de V.O.F.] was zeer goed, er zijn geen infectieuze ziekten (parasieten, bacteriën, schimmels) aangetroffen).
- € 10.500,-- ter zake de factuur van 21 juli 2017 (rov. 6.16.5, onderdeel van post A in conventie);
- € 14.023,42 ter zake de factuur van 11 juli 2017 (rov. 6.16.7, onderdeel van post A in conventie);
- € 679,20 ter zake post B in conventie (schadevergoeding voor gederfde inkomsten uit werkzaamheden, rov. 6.17.3);
- € 1.750,-- ter zake post D in conventie (rov. 6.22.3).
7.De uitspraak
- veroordeelt [geïntimeerde] om aan [appellanten] € 1.750,-- te betalen;
- veroordeelt [geïntimeerde] om aan [appellanten] € 679,20 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf 15 september 2017;
- veroordeelt [geïntimeerde] om aan [appellanten] € 18.820,17 te betalen, vermeerderd met de wettelijke (handels)rente als bedoeld in artikel 6:119a BW over dat bedrag vanaf 15 september 2017;
- veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van het geding in conventie, en begroot die kosten aan de zijde van [appellanten] tot op heden op € 82,63 aan dagvaardingskosten, € 1.950,-- aan griffierecht en € 1.390,-- aan salaris advocaat;
- veroordeelt [appellanten] om aan [geïntimeerde] € 300,-- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf 19 september 2018;
- veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van het geding in reconventie, en begroot die kosten aan de zijde van [appellanten] tot op heden op € 695,--;