ECLI:NL:GHSHE:2023:1076

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
4 april 2023
Publicatiedatum
4 april 2023
Zaaknummer
200.320.225_01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Ontslag van rechtsvervolging
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 3 Wet griffierechten burgerlijke zakenArt. 127a lid 2 RvArt. 127a lid 3 RvArt. 353 RvArt. 2.5 Landelijk procesreglement
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag van instantie wegens te late betaling griffierechten in hoger beroep

In deze civiele zaak heeft appellante hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van de kantonrechter. Het hof constateerde dat appellante het griffierecht niet tijdig had voldaan. Volgens de Wet griffierechten burgerlijke zaken en het Landelijk procesreglement had het griffierecht uiterlijk op 31 januari 2023 betaald moeten zijn, terwijl betaling pas op 8 februari 2023 plaatsvond.

De advocaat van appellante gaf aan te hebben gedacht dat de griffierechten al waren voldaan, maar het hof oordeelde dat dit geen beroep op de hardheidsclausule rechtvaardigt. Ook ambtshalve zag het hof geen omstandigheden die toepassing van deze clausule zouden rechtvaardigen.

Geïntimeerde wordt daarom ontslagen van de instantie en appellante wordt veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep. Het arrest is gewezen door drie raadsheren en op 4 april 2023 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Ontslag van instantie wegens te late betaling van griffierechten zonder toepassing hardheidsclausule.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht
zaaknummer 200.320.225/01
arrest van 4 april 2023
in de zaak van
[appellante] , handelend onder de naam AAA New Energy,
kantoorhoudende en wonende te [kantoor/woonplaats] ,
appellante,
hierna aan te duiden als appellante,
advocaat: mr. T.C. Warnsinck te Hilversum,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als geïntimeerde,
advocaat: mr. B. Blom te 's-Gravenhage,
op het bij exploot van dagvaarding van 31 oktober 2022 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 19 oktober 2022, door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Bergen op Zoom, gewezen tussen appellante als gedaagde en geïntimeerde als eiser.

1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 9650692 / CV EXPL 22-253)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2.Het geding in hoger beroep

3.1.
Appellante heeft bij voormeld exploot geïntimeerde opgeroepen om te verschijnen ter openbare terechtzitting van dit hof van 20 december 2022. Op de rol van 7 februari 2023 is geconstateerd dat appellante het griffierecht niet tijdig had voldaan.
De zaak is vervolgens conform de bepalingen van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven (LPR) voor akte appellante uitlaten over toepassing van artikel 127a lid 2 Rv verwezen naar de rol van 21 februari 2023.
3.2.
Geïntimeerde is in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het instellen van incidenteel appel. Van deze gelegenheid heeft geïntimeerde geen gebruik gemaakt, zodat het hof ervan uitgaat dat hij geen incidenteel hoger beroep wil instellen.
3.3.
Op grond van het bepaalde in artikel 3 lid 3 Wet Pro griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz) diende appellante het griffierecht binnen vier weken na de eerste roldatum
– 20 december 2022 – te voldoen, dus uiterlijk op 17 januari 2023. Op grond van artikel 2.5 van het LPR is die betalingstermijn met twee weken verlengd. Dat betekent dat het griffierecht van appellante uiterlijk op 31 januari 2023 had moeten zijn voldaan.
3.4.
Volgens opgave van de financiële administratie heeft appellante het griffierecht in deze zaak op 8 februari 2023 betaald. Dat is te laat. Op grond van het bepaalde in artikel 3 lid 3 Wgbz Pro en artikel 353 juncto Pro artikel 127a Rv dient de rechter in beginsel ontslag van instantie uit te spreken indien de appellant het door hem verschuldigde griffierecht niet of niet tijdig heeft voldaan. Alleen in de bij wet voorziene situatie dat toepassing van de sanctie, gelet op het belang van één of meer van de partijen bij toegang tot de rechter, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard, mag de rechter afzien van het toepassen van de sanctie van ontslag van instantie (artikel 127a lid 3 Rv).
3.5.
Op de rol van 21 februari 2023 heeft de advocaat van appellante bij H16-formulier aangegeven dat hij in de veronderstelling verkeerde dat zijn cliënte de griffierechten al had voldaan. Hij had haar daarvoor de nota toegezonden. Nu gebleken is dat de griffierechten niet waren voldaan, zijn deze alsnog voldaan.
Het hof is van oordeel dat appellante hiermee geen beroep doet op de hardheidsclausule van artikel 127a lid 3 Rv. Ook ambtshalve heeft het hof geen feiten of omstandigheden geconstateerd die toepassing van de hardheidsclausule van artikel 127a lid 3 Rv zouden rechtvaardigen.
3.6.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat geïntimeerde overeenkomstig het bepaalde in artikel 127a lid 2 Rv van deze instantie zal worden ontslagen. Als de in het ongelijk gestelde partij zal appellante worden veroordeeld in de proceskosten.

4.De uitspraak

Het hof:
ontslaat geïntimeerde van de instantie;
veroordeelt appellante in de kosten van het hoger beroep, tot op heden aan de zijde van geïntimeerde begroot op € 343,- aan griffierecht en op € 591,50 aan salaris advocaat
(1/2 punt liquidatietarief II).
Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, E.H. Schulten en J.M.H. Schoenmakers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 4 april 2023.
griffier rolraadsheer