Belanghebbende, werkzaam als advocaat, maakte bezwaar tegen een aanslag leges voor het maken van 26 fotokopieën van opgevraagde stukken in een bezwaarprocedure namens een cliënt. De heffingsambtenaar legde de aanslag op, welke door belanghebbende werd betwist. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde bij het hof.
Het geschil betrof drie hoofdvragen: of de hoorplicht was geschonden, of de aanslag terecht was opgelegd, en of belanghebbende aanspraak kon maken op immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het hof oordeelde dat geen hoorplicht was geschonden omdat belanghebbende niet had verzocht om gehoord te worden. De aanslag was terecht opgelegd op grond van artikel 7:4, lid 4, Awb en de toepasselijke legesverordening, waarbij het tarief van €0,60 per kopie niet onredelijk was.
Verder werd het verzoek om immateriële schadevergoeding afgewezen omdat het financieel belang gering was (€15,60) en de overschrijding van de redelijke termijn met iets meer dan een maand niet tot een vergoeding leidde. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.