ECLI:NL:GHSHE:2023:1149

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
11 april 2023
Publicatiedatum
11 april 2023
Zaaknummer
200.322.909_01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 335 Rv
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid in hoger beroep tegen verstekvonnis wegens ontbreken verzet

In deze civiele procedure heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen een verstekvonnis van de rechtbank Oost-Brabant. Appellant was in eerste aanleg niet verschenen, waardoor op grond van artikel 335 Rv Pro slechts het rechtsmiddel van verzet openstond en niet dat van hoger beroep.

Het gerechtshof heeft appellant in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de ontvankelijkheid van het hoger beroep. Appellant heeft vervolgens verzocht om intrekking van de zaak, terwijl geïntimeerde heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van appellant.

Het hof oordeelt dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is omdat het tegen een verstekvonnis is ingesteld door een niet verschenen partij die geen hoger beroep kan instellen. Appellant wordt veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep, die binnen veertien dagen na uitspraak moeten worden voldaan.

De uitspraak bevestigt het belang van de juiste rechtsgang bij verstekvonnissen en benadrukt dat verzet het exclusieve rechtsmiddel is voor niet verschenen gedaagden.

Uitkomst: Appellant is niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen het verstekvonnis en veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht
zaaknummer 200.322.909/01
arrest van 11 april 2023
in de zaak van
[appellant],
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
advocaat: mr. J.A.M. Kuijlaars te Helmond,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. A.G.E. Verbart te Tilburg,
als vervolg op de door het hof gegeven rolbeslissing van 28 februari 2023 in het hoger beroep van het door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, onder zaaknummer C/01/385870 / HA ZA 22-522 gewezen vonnis van 30 november 2022.

1.Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep van 13 februari 2023;
  • de rolbeslissing van 28 februari 2023;
  • het H4-formulier voor de rol van 14 maart 2021 met een verzoek intrekking zaak;
  • de antwoordakte van geïntimeerde.
Het hof heeft een datum bepaald voor arrest.

2.De beoordeling

2.1.
In genoemde rolbeslissing heeft het hof overwogen dat uit het eindvonnis waarvan beroep kan worden opgemaakt dat appellant in eerste aanleg niet is verschenen en dat voor hem op grond van artikel 335 Rv Pro het rechtsmiddel van verzet heeft opengestaan en niet dat van hoger beroep. Appellant is in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de ontvankelijkheid in hoger beroep en geïntimeerde heeft bij antwoordakte mogen reageren.
2.2.
Naar aanleiding van de rolbeslissing heeft appellant bij H4-formulier verzocht om intrekking van de zaak. Geïntimeerde heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van appellant.
2.3.
Het hoger beroep richt zich tegen het verstekvonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch van 30 november 2022, gewezen tussen appellant als (niet verschenen) gedaagde en geïntimeerde als eiser. Op grond van het bepaalde in artikel 335 Rv Pro staat voor de niet verschenen gedaagde enkel het rechtsmiddel verzet open, geen hoger beroep. Dat betekent dat appellant niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep. Als de in het ongelijk gestelde partij zal hij worden veroordeeld in de proceskosten, met bepaling dat deze kosten binnen 14 dagen na de uitspraak moeten zijn voldaan, zoals door geïntimeerde gevorderd.

3.De uitspraak

Het hof:
verklaart appellant niet-ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep;
veroordeelt appellant in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van geïntimeerde op € 783,-- aan griffierecht en op € 591,50 aan salaris advocaat (½ punt liquidatietarief II à € 1.183,--) en bepaalt dat de bedragen van € 783,-- en € 591,50 binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, E.H. Schulten en J.M.H. Schoenmakers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 11 april 2023.
griffier rolraadsheer