Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[geïntimeerde 1] ,wonende te [vestigingsplaats] ,
[geïntimeerde 2] ,wonende te [vestigingsplaats] ,
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/279131 / HA ZA 20-321)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met producties;
- de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep tevens houdende wijziging van eis met producties;
- akte houdende uitlating producties en het in geding brengen van producties in principaal hoger beroep tevens memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep met producties;
- de akte uitlating producties in incidenteel hoger beroep van [geïntimeerden] ;
- de mondelinge behandeling, waarbij partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd;
- de bij brieven van 2 en 6 januari 2023 door mr. Theunissen toegezonden producties 30, 31 en 32 en de bij H12-formulier van 3 januari 2023 door mr. Vrieling toegezonden productie 15, die zij bij de mondelinge behandeling bij akte in het geding hebben gebracht.
3.De beoordeling in principaal en incidenteel hoger beroep
VERBLIJVINGSBEDING
- voor recht te verklaren dat [appellante] (zowel in haar hoedanigheid als (gewezen) executeur testamentair als pro se), door niet over te gaan tot afgifte van die goederen en/of het voor de deurwaarder onvindbaar houden van die goederen en/of het aan executoriaal beslag onttrekken van die goederen, onrechtmatige handelt jegens [geïntimeerden] ;
- primair de door het onrechtmatig handelen/nalaten van [appellante] (zowel in haar hoedanigheid als (gewezen) executeur testamentair als pro se) jegens [geïntimeerden] door [geïntimeerden] geleden schade per goed, dat eventueel niet aan [geïntimeerden] zal worden afgegeven of via beslaglegging in hun bezit zal geraken, te begroten op basis van de inhoud van productie 59, althans op een in goede justitie te bepalen wijze en tot een in goede justitie te bepalen bedrag per individueel goed, en [appellante] (zowel in haar hoedanigheid als (gewezen) executeur testamentair als pro se) te veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [geïntimeerden] te betalen de aldus te bepalen schade per goed, dat niet aan [geïntimeerden] zal worden afgegeven of via beslaglegging in hun bezit zal geraken;
- in aanvulling op beslissing 5.1. in het bestreden vonnis voor recht te verklaren, dat de roerende goederen, opgesomd onder de nummers 2, 5, 6, 8, 10, 11, 17 en 18 uit productie 29 en het nummer 7 uit productie 32 (laatstbedoelde ten aanzien van de nieuwe bril van erflater) goederen van de nalatenschap van erflater zijn;
- in aanvulling op beslissing 5.2. in het bestreden vonnis [appellante] (pro se) te veroordelen de roerende goederen, opgesomd onder de nummers 2, 5, 8 en 11 uit productie 29 en het nummer 7 uit productie 32 (specifiek: de nieuwste bril van erflater) binnen veertien dagen na betekening van het te wijzen arrest aan [geïntimeerden] af te geven, op straffe van een dwangsom;
- in aanvulling op beslissing 5.3. in het bestreden vonnis voor recht te verklaren dat [appellante] (in haar hoedanigheid als (gewezen) executeur testamentair) ter zake gedane oneigenlijke (privé)uitgaven van de nalatenschapsrekening en gedane uitgaven die redelijkerwijs door [appellante] zelf gedragen dienen te worden (naast het reeds door de rechtbank toegewezen bedrag van € 7.460,23 inzake de verbouwing van de badkamer) aan de nalatenschap een bedrag verschuldigd is van € 9.075,12;
- in aanvulling op beslissing 5.4. in het bestreden vonnis voor recht te verklaren dat [appellante] (pro se) aansprakelijk is voor de door [geïntimeerden] geleden schade door onrechtmatig handelen zijdens [appellante] door het verkeerd (doen) plaatsen van het dassenraster en ter zake een schadevergoeding aan [geïntimeerden] verschuldigd is ter hoogte van € 2.500,00;
- in aanvulling op beslissing 5.6. sub a in het bestreden vonnis [appellante] (in haar hoedanigheid als (gewezen) executeur testamentair) te veroordelen tegen behoorlijk bewijs op de bankrekening van erflater terug te storten een bedrag van € 9.075,12 (ter zake gedane oneigenlijke (privé)uitgaven van de nalatenschapsrekening en gedane uitgaven die redelijkerwijs door [appellante] zelf gedragen dienen te worden (naast het reeds door de rechtbank toegewezen bedrag van € 7.460,23 inzake de verbouwing van de badkamer));
- in aanvulling op beslissing 5.6. sub b in het bestreden vonnis [appellante] (pro se) te veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [geïntimeerden] een bedrag te voldoen van € 2.500,00 (voor de door [geïntimeerden] geleden schade door onrechtmatig handelen zijdens [appellante] door het verkeerd (doen) plaatsen van het dassenraster);