Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[de B.V.] ,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
3. [geïntimeerde 2] ,
5.Het verloop van de procedure
- de namens [geïntimeerde 2] Beheer B.V. (hierna: [geïntimeerde 2] ), [de B.V.] , [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] uitgebrachte dagvaarding in hoger beroep van 3 mei 2022;
- het H1-formulier van 4 juli 2022 voor de rol van 5 juli 2022, waarbij mr. Hepkema de dagvaarding in hoger beroep bij het hof heeft aangebracht namens [de B.V.] , [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] ;
- het tussenarrest van 9 augustus 2022 waarbij het hof een mondelinge behandeling na aanbrengen heeft gelast;
- het e-mailbericht van 23 augustus 2022 van de curator in het bij vonnis van 28 juni 2022 uitgesproken faillissement van [geïntimeerde 2] en in het op 9 augustus 2022 uitgesproken faillissement van [de B.V.] , waarin wordt meegedeeld dat de ten laste van de genoemde rechtspersonen gelegde beslagen van rechtswege zijn vervallen op grond van artikel 33 lid 2 Fw Pro, en waarin voor wat betreft de genoemde rechtspersonen om doorhaling van de procedure wordt verzocht;
- het e-mailbericht van 30 augustus 2022 van het hof aan de curator, waarin is meegedeeld dat artikel 27 Fw Pro van toepassing is, dat de curator het geding (nog) niet op de voet van dat artikel heeft overgenomen en in plaats van de gefailleerde heeft voortgezet, dat de curator dus geen partij is in de procedure en daarom ook niet kan vragen om de procedure door te halen, zodat het verzoek van de curator niet kan worden ingewilligd;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling na aanbrengen van 7 oktober 2022;
- de door [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] genomen memorie van grieven met productie 2;
- de door De Zorggroep genomen memorie van antwoord met productie 1.
6.De beoordeling
- [geïntimeerde 2] en [X] Management Consultancy (hierna: [de consultancy] ) zijn bij vonnis van 28 juni 2022 failliet verklaard.
- [de B.V.] is bij vonnis van 9 augustus 2022 failliet verklaard.
- De bodemprocedure die is aangevangen bij de hiervoor onder de geciteerde 2.18 genoemde dagvaarding van 12 november 2021, is vanwege de genoemde faillissementen van rechtswege geschorst op grond van artikel 29 Fw Pro jegens [geïntimeerde 2] , [de consultancy] en [de B.V.] . De rechtbank heeft dit bij rolbeslissing van 5 oktober 2022 vastgesteld.
- I. opheffing van het ten laste van [geïntimeerde 2] gelegde conservatoir beslag op het registergoed gelegen aan de [adres 2] te [plaats] ;
- II. opheffing van het ten laste van [geïntimeerde 2] gelegde conservatoir beslag op het onverdeelde aandeel van de onroerende zaak gelegen aan (1) [adres 1] te [plaats] , kadastraal bekend b en (2) [adres 3] te [plaats] ;
- III. opheffing van de ten laste van [geïntimeerde 2] gelegde conservatoire derdenbeslagen onder de Coöperatieve Rabobank U.A., ABN AMRO Bank N.V. en ING Bank N.V.;
- IV. opheffing van de ten laste van [geïntimeerde 2] gelegde conservatoire derdenbeslagen onder de Coöperatieve Rabobank U.A., ABN AMRO Bank N.V. en ING Bank N.V.;
- V. opheffing van de ten laste van [de B.V.] gelegde conservatoire derdenbeslagen onder de Coöperatieve Rabobank U.A., ABN AMRO Bank N.V. en ING Bank N.V.;
- Montie c.s. hebben aannemelijk gemaakt dat de door De Zorggroep in de bodemprocedure tegen Montie c.s. ingestelde vorderingen ondeugdelijk zijn in de zin van artikel 705 lid 2 Rv Pro.
- Ten aanzien van de onroerende zaken waarop beslagen zijn gelegd, bestaat geen gegronde vrees voor verduistering als bedoeld in artikel 725 Rv Pro in verband met 711 lid 1 Rv;
- de afweging van de wederzijdse belangen die bij een vordering tot opheffing van conservatoire beslagen moet worden verricht, moet in dit geval leiden tot opheffing van de beslagen.
- De vraag of de beslagen moeten worden opgeheven moet worden beantwoord aan de hand van hetgeen De Zorggroep in haar verzoekschrift aan de verzoeken tot beslaglegging ten grondslag heeft gelegd. In het licht van de betwisting door Montie c.s. van de inhoud van het verzoekschrift tot beslaglegging moet worden beoordeeld of summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door De Zorggroep ingeroepen recht (rov. 4.1 en 4.2).
- De Zorggroep heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat [de V.O.F.] meer bij haar heeft gedeclareerd dan hetgeen De Zorggroep verschuldigd zou zijn aan de auteursrechtenorganisaties en die auteursrechtenorganisaties hebben gedeclareerd bij [de V.O.F.] (als vertegenwoordiger van De Zorggroep). De vraag of de inventarisatie van het aantal radio’s en tv’s is verzonden en, zo ja, of die juist is, is dan ook niet relevant (rov. 4.3).
- Montie c.s. hebben meer in rekening hebben gebracht bij De Zorggroep dan de auteursrechtenorganisaties op hun beurt bij [de V.O.F.] in rekening hebben gebracht. De Zorggroep heeft aan [de V.O.F.] meer betaald aan auteursrechtelijke vergoedingen dan de auteursrechtenorganisaties zélf aan [de V.O.F.] (als vertegenwoordiger van De Zorggroep) in rekening hebben gebracht (rov. 4.4).
- Niet gesteld of gebleken is dat [de V.O.F.] gerechtigd was hogere bedragen in rekening te brengen bij De Zorggroep in verband met de vermeende verschuldigde vergoedingen aan de auteursrechtenorganisaties dan deze organisaties door middel van facturen gericht aan [de V.O.F.] en/of De Zorggroep zélf in rekening hadden gebracht. De Zorggroep mocht er op vertrouwen dat zij aan [de V.O.F.] niet meer betaalde dan zij uiteindelijk aan de auteursrechtenorganisaties verschuldigd was. (rov. 4.5).
- Op grond van artikel 18 WvK Pro zijn de vennoten van [de V.O.F.] hoofdelijk aansprakelijk voor een verbintenis van [de V.O.F.] tot terugbetaling van het onverschuldigd ontvangene (rov. 4.8).
- Het is niet onaannemelijk dat in de bodemprocedure zal worden geoordeeld dat [de V.O.F.] toerekenbaar tekort is geschoten jegens De Zorggroep, dan wel dat [de V.O.F.] ten kosten van De Zorggroep ongerechtvaardigd is verrijkt, dan wel dat De Zorggroep onverschuldigd aan [de V.O.F.] heeft betaald (rov. 4.9).
- De vordering van De Zorggroep jegens [de V.O.F.] is voorshands niet summier ondeugdelijk. Het is niet aannemelijk dat die vordering in een bodemprocedure zal worden afgewezen (rov. 4.10).
- Tijdens het bestaan van [de V.O.F.] is in ieder geval [de consultancy] steeds een van de twee vennoten van [de V.O.F.] geweest. De vennoot die naast [de consultancy] vennoot van [de V.O.F.] was, dan wel moet geacht te zijn geweest, ten tijde dat de omstreden handelingen zijn verricht, is naast [de consultancy] hoofdelijk aansprakelijk voor hetgeen aan [de V.O.F.] kan worden verweten (rov. 4.11).
- Omdat [geïntimeerde 2] ten tijde van de omstreden handelingen van [de V.O.F.] in het Handelsregister stond ingeschreven als medevennoot van [de V.O.F.] , is zij (mede) verantwoordelijk jegens De Zorggroep ter zake de vordering op [de V.O.F.] (rov. 4.13).
- Naast [geïntimeerde 2] is ook [de B.V.] jegens De Zorggroep aansprakelijk voor de beweerde vordering van De Zorggroep want vanaf 1 januari 2018 is zij uit hoofde van haar juridische en feitelijke hoedanigheid als vennoot van [de V.O.F.] opgetreden (rov. 4.14).
- Het omstreden handelen kan ook aan [geïntimeerde 2] in persoon worden toegerekend (rov. 4.15).
- Aannemelijk is dat [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] ook in persoon onrechtmatig jegens De Zorggroep hebben gehandeld. Zij zijn er immers als (getrapt) bestuurders van één van de vennoten persoonlijk voor verantwoordelijk dat te hoge facturen aan De Zorggroep werden gezonden, hetgeen heeft geleid tot de omstreden bovenmatige betalingen, terwijl zij wisten, althans behoorden te weten, dat [de V.O.F.] niet gerechtigd was om die hogere vergoedingen te declareren (rov. 4.16).
- Het feit dat [X] in persoon niet door De Zorggroep zou zijn gedagvaard of beslagen, betekent niet dat [geïntimeerde 2] niet (mede) aansprakelijk is voor de vordering van De Zorggroep (rov. 4.17).
- De vordering tot opheffing van de conservatoire derdenbeslagen onder de drie banken moet worden afgewezen (rov. 4.18 tot en met 4.20).
- Ten aanzien van het pand aan de [adres 2] te [plaats] is sprake van vrees voor onttrekking aan verhaal (rov. 4.21).
- Ten aanzien van de panden aan [adres 1] en [adres 3] te [plaats] is de vrees niet denkbeeldig dat de eigenaren van deze panden deze mogelijk aan verhaal zullen proberen te onttrekken (rov. 4.22).
- Het belang van De Zorggroep om zoveel mogelijk in staat te zijn een toegewezen vordering met behulp van een conservatoir beslag te kunnen innen weegt zwaarder dan het belang dat [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] hebben bij voortzetting van hun kredietrelatie met de hypotheekhouder (rov. 4.23 en 4.24).
- Het is niet onaannemelijk dat in de bodemprocedure zal worden geoordeeld dat [de V.O.F.] toerekenbaar tekort is geschoten jegens De Zorggroep, dan wel dat [de V.O.F.] ten kosten van De Zorggroep ongerechtvaardigd is verrijkt, dan wel dat De Zorggroep onverschuldigd aan [de V.O.F.] heeft betaald (rov. 4.9).
- De vordering van De Zorggroep jegens [de V.O.F.] is voorshands niet summier ondeugdelijk. Het is niet aannemelijk dat die vordering in een bodemprocedure zal worden afgewezen (rov. 4.10).
- Omdat [geïntimeerde 2] ten tijde van de omstreden handelingen van [de V.O.F.] in het Handelsregister stond ingeschreven als medevennoot van [de V.O.F.] , is zij (mede) verantwoordelijk jegens De Zorggroep ter zake de vordering op [de V.O.F.] (rov. 4.13).
- Naast [geïntimeerde 2] is ook [de B.V.] jegens De Zorggroep aansprakelijk voor de beweerde vordering van De Zorggroep want vanaf 1 januari 2018 is zij uit hoofde van haar juridische en feitelijke hoedanigheid als vennoot van [de V.O.F.] opgetreden (rov. 4.14).
“uit hoofde van pretense bestuurdersaansprakelijkheid”.