In deze civiele zaak tussen twee landbouwbedrijven gaat het om de vraag of het onderhoud aan een sloot, uitgevoerd door appellante, onrechtmatig was jegens geïntimeerde, eigenaar van het aangrenzende perceel. De sloot scheidt de percelen en is deels eigendom van beide partijen. Appellante had werkzaamheden verricht waarbij de sloot werd schoongemaakt, verbreed en uitgediept, waarbij houten beschoeiing werd verwijderd en drainagebuizen beschadigd.
Geïntimeerde stelde dat deze werkzaamheden zonder toestemming waren uitgevoerd en dat hierdoor schade was ontstaan, waaronder vermindering van de afvoercapaciteit en vervuiling van de grond. De rechtbank had appellante reeds veroordeeld tot herstel en het verwijderen van de vervuiling. Appellante voerde in hoger beroep onder meer aan dat zij niet de juiste partij was en dat zij toestemming had voor het onderhoud.
Het hof bevestigde dat appellante de werkzaamheden had uitgevoerd en dat zij zonder toestemming handelde door beschoeiing te verwijderen, het talud te wijzigen en drainage te beschadigen. Het hof oordeelde dat herstel verplicht is voor de beschoeiing bij de windhaag en de beschadigde drainagebuizen bij de boomgaard, en dat de vervuiling van de grond met resten van beschoeiing en rietwortels onrechtmatig is. De vordering tot herstel van het gehele talud en het inzaaien werd afgewezen. De kosten worden tussen partijen gecompenseerd en een dwangsom wordt opgelegd voor niet-naleving.