Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[appellant],wonende te [woonplaats] ,
[appellante],wonende te [woonplaats] ,
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
In deze civiele procedure diende het gerechtshof een incident ex artikel 225 Rv Pro te beoordelen waarin een verzoek tot schorsing van de procedure werd gedaan na het overlijden van geïntimeerde op 7 maart 2023. De verzoeker, vertegenwoordigd door mr. Bergmans, vroeg om schorsing van het geding en annulering van de mondelinge behandeling gepland op 30 maart 2023.
Appellanten betwistten de geldigheid van het schorsingsverzoek omdat de akte niet vermeldde wie de schorsing inriep. Het hof overwoog dat voor een geldige schorsing na overlijden van een partij de aanzegging moet bevatten wie de belanghebbenden zijn (zoals erfgenamen), de schorsingsgrond, het rechtsfeit dat hen tot belanghebbenden maakt en de aanzegging van de schorsing zelf.
De akte van mr. Bergmans voldeed niet aan deze vereisten, waardoor de schorsing niet rechtsgeldig was en het geding niet geschorst kon worden. Daarom wees het hof het schorsingsverzoek af en hield de beslissing over proceskosten aan tot de einduitspraak in de hoofdzaak. De hoofdzaak werd verwezen naar de rol voor het plannen van een nieuwe mondelinge behandeling.
Uitkomst: Het verzoek tot schorsing van de procedure is afgewezen wegens onjuiste aanzegging.