Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[geïntimeerde 1] ,wonende te [woonplaats] ,
[geïntimeerde 2] ,wonende te [woonplaats] ,
5.Het vervolg van de procedure in hoger beroep
- het tussenarrest van 22 maart 2022 waarbij het hof een mondelinge behandeling na aanbrengen heeft gelast;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 19 april 2022;
- de door [appellant] genomen memorie van grieven, kennelijk in punt 15 tevens inhoudende een vermeerdering van de eis in reconventie, met productie 10;
- de door [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] genomen memorie van antwoord, tevens inhoudende een bezwaar tegen de vermeerdering van eis in reconventie.
6.De beoordeling
- a. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] zijn sinds 1982 eigenaar van een deel van het voormalige klooster [het klooster] te [plaats] . Dit gebouw is een rijksmonument.
- b. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben een deel van het monument verbouwd en daarin woonappartementen gerealiseerd. Gedurende de verbouwing is al een aantal appartementen verhuurd. Inmiddels zijn alle appartementen gerealiseerd.
- c. Bij huurovereenkomst van 20 augustus 1999 heeft [geïntimeerde 1] het appartement aan het [adres] te [plaats] met ingang van 15 september 1999 verhuurd aan [appellant] . Dit appartement is gelegen op de eerste verdieping, boven het appartement dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] zelf in gebruik hebben.
- d. De aanvangshuurprijs bedroeg fl. 874,--. Er wordt jaarlijks een voorschotbijdrage vastgesteld voor het verbruik van water, gas en elektriciteit. Voor het onderhoud en schoonhouden van de hal, het trappenhuis en de oprit worden servicekosten in rekening gebracht.
- e. Bij vonnis van de kantonrechter van de toenmalige rechtbank Roermond van 16 november 2011 is [appellant] veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 935,85 aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] . Volgens rov. 4.14 van het vonnis bestaat de toegewezen hoofdsom € 59,40 ter zake achterstallige huur en € 869,19 ter zake door [appellant] verschuldigde energiekosten.
- f. Bij vonnis van de kantonrechter van de toenmalige rechtbank Roermond van 30 maart 2016 is [appellant] veroordeeld om € 70,-- ter zake huurachterstand aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] te betalen. De door [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] in die procedure tevens ingestelde vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en tot ontruiming van het gehuurde zijn bij dat vonnis afgewezen.
- g. Op 8 mei 2018 heeft zich een incident voorgedaan tussen [geïntimeerde 2] en [appellant] . De Officier van Justitie heeft geoordeeld dat [appellant] zich bij dit incident schuldig heeft gemaakt aan mishandeling, en in verband daarmee bij strafbeschikking van 20 december 2018 aan [appellant] een boete opgelegd van € 500,--. Deze strafbeschikking is onherroepelijk geworden.
- h. In 2018 heeft [appellant] bij de gemeente een klacht ingediend over geluidsoverlast vanuit de zolderverdieping boven zijn appartement. Naar aanleiding daarvan heeft de gemeente bij e-mail van 24 augustus 2018 onder meer het volgende meegedeeld aan [geïntimeerde 2] :
- i. [appellant] heeft in juli 2018 bezwaar gemaakt bij de Huurcommissie tegen de aangezegde jaarlijkse huurverhoging. De huurcommissie heeft bij brief van 12 september 2018 aan [appellant] laten weten dat het bezwaar naar het voorlopig oordeel van de huurcommissie ongegrond is, en dat [appellant] de gelegenheid heeft om het bezwaar in te trekken. Bij een door de Huurcommissie op 27 september 2018 ontvangen brief heeft [appellant] het bezwaar ingetrokken.
- j. [appellant] heeft bij de gemeente op 19 februari 2020 opnieuw een klacht ingediend over geluidsoverlast die hij stelt te hebben van zijn bovenburen. Bij brief van 16 juli 2020 heeft de gemeente daarover onder meer het volgende meegedeeld aan [appellant] :
- k. [appellant] heeft vanaf 1 juli 2019 (wederom) een huurachterstand laten ontstaan doordat hij de huurverhogingen die per 1 juli 2019 en 1 juli 2020 zijn ingegaan, niet heeft voldaan. Ook heeft hij de in rekening gebrachte energiekosten niet geheel voldaan.
- l. Bij brief van 30 september 2020 heeft de advocaat van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] aan [appellant] onder meer het volgende meegedeeld:
- ontbinding van de huurovereenkomst;
- veroordeling van [appellant] tot ontruiming van het gehuurde;
- veroordeling van [appellant] tot betaling van de in de dagvaarding genoemde bedragen ter zake achterstallige huur, lopende huur en buitengerechtelijke kosten;
- de huurovereenkomst tussen partijen ontbonden;
- [appellant] veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde;
- [appellant] veroordeeld om aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] € 733,75 te betalen ter zake achterstallige huurpenningen inclusief de afrekening van de servicekosten;
- [appellant] veroordeeld tot tijdige betaling (vóór de eerste van elke maand) van de huurtermijnen en maandelijks verschuldigde bijdrage aan de energie- c.q. servicekosten;
- [appellant] veroordeeld om aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] € 133,18 te betalen ter zake buitengerechtelijke kosten inclusief btw.
- € 1.025,-- ter zake gederfd huurgenot over de maanden december 2017 tot en met mei 2021;
- € 25,-- per maand ingaande juni 2021 zolang de door [appellant] gestelde overlast aanhoudt,
- € 360,-- ter zake te veel betaalde schoonmaakkosten;
- € 48,83 ter zake te veel betaalde nutslasten;
- [appellant] heeft geen gerechtvaardigde reden om een deel van de huurbetalingen op te schorten. Op het moment van uitbrengen van de inleidende dagvaarding had [appellant] een betalingsachterstand van € 773,65 (rov. 4.7).
- Daarnaast is sprake van een structurele en steeds terugkerende betalingsproblematiek, zonder dat [appellant] daar een geldige reden voor had. [appellant] is dus tekortgeschoten in de nakoming van de huurovereenkomst, op grond waarvan de huurovereenkomst kan worden ontbonden (rov. 4.8).
- Omdat de wanbetaling de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt, hoeft de andere gestelde grond voor ontbinding van de huurovereenkomst niet beoordeeld te worden (rov. 4.9, eerste deel).
- Het belang van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] bij beëindiging van de huurovereenkomst weegt zwaarder dan het woonbelang van [appellant] (rov. 4.9, tweede deel).
- In conventie worden de vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en tot veroordeling van [appellant] tot ontruiming van het gehuurde daarom toegewezen (rov. 4.10).
- Omdat het gevorderde bedrag van € 773,65 inmiddels is betaald, wordt dit deel van de vordering in conventie afgewezen (rov. 4.11).
- De vordering tot tijdige betaling van de lopende huur en de maandelijks verschuldigde bijdrage aan de energie-/servicekosten is toewijsbaar. Ook de in verband hiermee gevorderde dwangsom is toewijsbaar tot de in het dictum van het vonnis te noemen bedragen (rov. 4.12, eerste deel).
- Ter zake buitengerechtelijke kosten is € 133,18 toewijsbaar (rov. 4.12, tweede deel).
- de huurovereenkomst tussen partijen ontbonden;
- [appellant] veroordeeld om het gehuurde binnen twee weken na betekening van het vonnis te ontruimen;
- [appellant] veroordeeld tot tijdige betaling (vóór de eerste van de maand) van de huurtermijnen alsmede de maandelijkse verschuldigde bijdrage aan de energie- c.q. servicekosten aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] , totdat de huurovereenkomst is geëindigd, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,-- per dag met een maximum van € 5.000,--;
- [appellant] veroordeeld tot betaling van € 133,18 aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] ter zake buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 16 maart 2021.
hing daar tot nog toe een huurvermindering aan ad € 25,- per maand, maar verhoogt die bij nader inzien tot een geschatte € 125,- per maand.
- het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] in conventie;
- het alsnog toewijzen van de vorderingen van [appellant] in reconventie;
- [appellant] het verschuldigde bedrag aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] heeft betaald;
- [appellant] het gehuurde heeft ontruimd en op 6 december 2021 heeft opgeleverd;
- [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] de borgsom aan [appellant] hebben overgemaakt.
- A. de verwerping van het verweer van [appellant] dat de energiekosten niet kloppen;
- B. de verwerping van het verweer van [appellant] dat ten onrechte schoonmaakkosten in rekening worden gebracht.
- € 48,83 ter zake te veel betaalde nutslasten;
- € 360,-- ter zake te veel betaalde schoonmaakkosten.
- € 360,-- ter zake te veel betaalde schoonmaakkosten;
- € 48,83 ter zake te veel betaalde nutslasten.
“een staat of eigenschap van de zaak of een andere niet aan de huurder toe te rekenen omstandigheid, waardoor de zaak aan de huurder niet het genot kan verschaffen dat een huurder bij het aangaan van de overeenkomst mag verwachten van een goed onderhouden zaak van de soort als waarop de overeenkomst betrekking heeft”). Volgens artikel 7:207 lid 1 BW Pro kan de huurder in geval van vermindering van huurgenot ten gevolge van een gebrek een daaraan evenredige vermindering van de huurprijs vorderen van de dag waarop hij van het gebrek behoorlijk heeft kennis gegeven aan de verhuurder of waarop het gebrek reeds in voldoende mate bekend was om tot maatregelen over te gaan, tot die waarop het gebrek is verholpen. In dit geval gaat het om de in rov. 6.10.2 genoemde redenen alleen om de periode na 1 december 2020.
“ [geïntimeerde 2] heeft een zwevende dekvloer geplaatst op de houten vloerdelen van 2e verdieping Dit is 2 cm steenwol met 20 mm gipsvezelplaat. Dit is een kant en klare plaat met overlap die je op een houten vloer kan leggen om geluid tegen te gaan. Er is sprake van een zwevende dekvloer. Deze vloer ligt in het naaiatelier.”Het betreffende “naaiatelier”, waarvan [appellant] stelde geluidsoverlast te ondervinden, bevindt zich boven de slaapkamer van [appellant] .
“Overall is de overlast daardoor wel iets minder, maar het is en blijft een gehorig gebouw.”Naar het oordeel van het hof is ten aanzien van de in dit hoger beroep relevante periode vanaf 1 december 2020 echter niet gebleken dat nog sprake is van zodanige geluidsoverlast dat dit een gebrek oplevert dat aanleiding vormt voor huurprijsvermindering. Het hof acht daarbij van belang dat de gemeente bij brief van 19 juli 2020 heeft meegedeeld, samengevat:
- dat geluidmetingen zijn gedaan op 7 april 2020 en 23 juni 2020;
- dat volgens de bevindingen geen sprake van een overschrijding van de geluidsnorm in de dagperiode en in de avondperiode;
- dat de naaimachine een tonaal geluid oplevert en dat om die reden na 21:00 uur ’s avonds niet mag worden gewerkt in het naaiatelier.