Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[appellant] ,wonende te [woonplaats] ,
[appellante] ,wonende te [woonplaats] ,
1.[geïntimeerde] ,wonende te [woonplaats] ,
[notariskantoor] ,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
5.Het verloop van de procedure
- het tussenarrest van 3 augustus 2021 waarbij het hof een mondelinge behandeling na aanbrengen heeft gelast;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling na aanbrengen van 2 november 2021;
- de memorie van grieven met eiswijziging;
- de memorie van antwoord;
- de mondeling behandeling, waarbij partijen spreeknotities hebben overgelegd.
6.De beoordeling
11. Verplichting en volmacht zekerheidstelling
NJ2000/21 en HR 10 september 2010, ECLI:NL:HR: 2010:BM6086). Een voorvraag hierbij is of dat wat door de appellant na de memorie van grieven nader is aangevoerd, bijvoorbeeld bij gelegenheid van de mondelinge behandeling, moet worden beschouwd als een nieuwe grief, of dat sprake is van een nadere uitwerking van een al bij memorie van grieven voldoende kenbaar geformuleerd bezwaar tegen het bestreden vonnis (HR 24 april 1981,
NJ1981/495; HR 12 december 2003,
NJ2004/341).
hypotheek” wordt gebruikt geen betekenis toekent en het ten onrechte niet meenemen daarin van de e-mails van 7 november 2015 en 16 november 2015 (naar het hof begrijpt van [persoon B] aan de notaris) welke volgens [appellanten] . duiding geven aan de omvang van de opdracht (hierna: grief ii);
vernietigen”, “
ten onrechte… niet meegenomen,” “
die aanname gaat voorbij aan” en “
in het vonnis ontbreekt”). Die randnummers van de memorie van grieven verwoorden aldus voldoende kenbare grieven tegen het bestreden vonnis, in samenhang met wat in de rest van de memorie van grieven is opgenomen voor zover dat redelijkerwijs is te zien als een nadere toelichting op en uitwerking van die grieven. Gelet op de in beginsel strakke twee-conclusieregel zullen [appellanten] . niet nader in de gelegenheid worden gesteld bij akte toe te lichten welke onderdelen van de memorie van grieven als grieven dienen te worden opgevat.
hypotheekakte” zou omvatten. In het onderwerp van de e-mailwisseling met de notaris staat ‘
Hypotheekaktes Village de Montmarsis – Frankrijk.’ Ook verwijst [appellanten] . naar het e-mailbericht van [persoon B] van 16 november 2015 (hiervoor geciteerd in 6.1.1. onder d.) aan de notaris waarin wordt gesproken over ‘
Voortgang hypotheek aktes’. In dit verband stellen [appellanten] . verder dat zij ook daadwerkelijk in de veronderstelling verkeerden dat [geïntimeerden] voor hun een hypotheekrecht zou (laten) vestigen op een registergoed in Frankrijk als zekerheid voor de door hen aan [persoon A] (althans aan zijn bedrijf SCI) verstrekte lening, waarvoor [appellanten] . wijzen op de door [geïntimeerden] aan [appellanten] . gezonden e-mail van 3 december 2015 (hiervoor geciteerd in 6.1.1. onder d.) waarin [appellanten] . worden uitgenodigd voor een afspraak voor “
het ondertekenen van de akte van hypotheek”, en de brief van het notariskantoor van 7 december 2015 (eveneens hiervoor geciteerd in 6.1.1. onder d.) waarin wordt gesproken over “
hypothecaire financiering” en “
de hypotheekakte.” Gelet daarop mochten [appellanten] . gerechtvaardigd vertrouwen dat tot de aan [geïntimeerden] verstrekte opdracht behoorde dat [geïntimeerde] ten behoeve van hen een hypotheekrecht in Frankrijk zou (doen) vestigen. Verdere steun daarvoor biedt het e-mailbericht van [persoon B] van 7 november 2015 (ook hiervoor geciteerd in 6.1.1. onder d.).
NJ2006/156). Dat [geïntimeerde] tijdens de mondelinge behandeling na aanbrengen in hoger beroep uitdrukkelijk zou hebben erkend – in de in artikel 154 lid 1 Rv Pro bedoelde zin – dat aan haar het gehele traject was opgedragen, is niet komen vast te staan.
NJ2012/589).
NJ2003/325).
NJ2003/325; vergelijk hiervoor in rechtsoverweging 6.4.7.).
7.De uitspraak
- verklaart het arrest voor wat de proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst af het meer of anders gevorderde.