ECLI:NL:GHSHE:2023:1930

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
13 juni 2023
Publicatiedatum
13 juni 2023
Zaaknummer
200.317.113_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.19 LPR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid in hoger beroep wegens niet-nemen memorie van grieven

Appellant, handelend onder een handelsnaam, stelde hoger beroep in tegen een vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant. Na een tussenarrest en mondelinge behandeling werd appellant in de gelegenheid gesteld een memorie van grieven te nemen. Echter, de advocaat van appellant trok zich terug en appellant stelde geen nieuwe procesvertegenwoordiger aan, noch nam hij de memorie van grieven binnen de gestelde termijn van 10 weken.

De rolraadsheer stelde vast dat het recht van appellant om de memorie van grieven te nemen was vervallen en verleende aan de wederpartij akte van niet-dienen. Omdat appellant geen grieven tegen het vonnis had aangevoerd, kon hij niet ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.

De Staat had geen incidenteel hoger beroep ingesteld. Het hof veroordeelde appellant in de proceskosten van het hoger beroep, begroot op in totaal €1.966,00. Het arrest werd gewezen door drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 13 juni 2023.

Uitkomst: Appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep en veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht
zaaknummer 200.317.113/01
arrest van 13 juni 2023
in de zaak van
[appellant] handelend onder de naam [[--]] Koerier,
wonende te [woonplaats],
appellant,
hierna aan te duiden als [appellant],
advocaat: mr. T.H. Meulendijks-Hermans te Helmond (onttrokken),
tegen
de Staat der Nederlanden meer speciaal de Minister voor Rechtsbescherming, namens deze de directeur Dienstverlening en Incasso van het Centraal Justitieel Incassobureau, voorheen de officier van justitie van het arrondissementsparket Noord-Nederland,
zetelende te ‘s-Gravenhage,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als de Staat,
advocaat: mr. H.H. Jansen te Apeldoorn,
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 29 november 2022 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, onder zaaknummer 9878026 en rolnummer 22-2997 gewezen vonnis van 30 juni 2022.

5.Het verloop van de procedure

5.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het tussenarrest van 29 november 2022 waarbij het hof een mondelinge behandeling na aanbrengen heeft gelast;
  • het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 20 februari 2023.
5.2.
Na de mondelinge behandeling is de zaak naar de rol van 2 mei 2023 verwezen voor memorie van grieven. Op die rol heeft de advocaat van [appellant] zich onttrokken. [appellant] is vervolgens op de rol van 16 mei 2023 in de gelegenheid gesteld om een nieuwe procesvertegenwoordiger te stellen en tevens de memorie van grieven te nemen, ambtshalve peremptoir. Op die rol heeft zich echter geen nieuwe procesvertegenwoordiger gesteld en de memorie van grieven is niet genomen.
5.3.
Op de rol van 23 mei 2023 heeft de rolraadsheer vastgesteld dat het recht van [appellant] om de memorie van grieven te nemen is vervallen, omdat die proceshandeling niet binnen de daarvoor gestelde totale termijn van 10 weken is verricht. De rolraadsheer heeft van dat feit aan de wederpartij akte van niet-dienen verleend.
5.4.
Nu [appellant] tegen het vonnis waarvan beroep geen grieven heeft aangevoerd, kan hij in het hoger beroep niet worden ontvangen. Hij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep. De Staat heeft niet verzocht een memorie van eis in incidenteel hoger beroep te mogen nemen (art. 2.19 LPR).
5.5.
Als de in het ongelijk gestelde partij zal [appellant] worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

6.De uitspraak

Het hof:
verklaart [appellant] niet ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep;
veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van de Staat op € 783,- aan griffierecht en op € 1.183,00 aan salaris advocaat (1 punt liquidatietarief II).
Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, E.H. Schulten en J.M.H. Schoenmakers en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 13 juni 2023.
griffier rolraadsheer