In deze civiele procedure stond een hoger beroep centraal tegen vonnissen van de rechtbank Oost-Brabant. De procedure in eerste aanleg was gevoerd door een vennootschap onder firma (VOF). In hoger beroep hadden niet alleen de VOF, maar ook haar twee vennoten en de rechtsvolger, een BV, het beroep ingesteld.
Het hof oordeelde dat de twee vennoten en de BV niet-ontvankelijk zijn in hoger beroep omdat zij geen partij waren in de eerste aanleg. Dit volgt uit het rechtsbeginsel dat alleen partijen die in eerste aanleg partij waren, hoger beroep kunnen instellen. De VOF blijft als enige appellant over.
De procedure wordt voortgezet met alleen de VOF als appellant. De beslissing omtrent de proceskosten van het incident wordt aangehouden tot de eindbeslissing in de hoofdzaak. Het hof verwees de zaak naar de rol voor het nemen van de memorie van antwoord door de geïntimeerde.
Het arrest werd gewezen door de rechters Venhuizen, Schulten en Schoenmakers en op 20 juni 2023 openbaar uitgesproken.