5.4.2.Het hof stelt met de rechtbank vast dat uit de jaarrekening 2015 en de concept jaarstukken 2016 volgt dat in de aanloop van het faillissement het resultaat van LET van een winst van € 152.000,00 in 2015 is gedaald naar een verlies van € 450.000,00 in 2016, wat neerkomt op een negatieve ontwikkeling ter grootte van € 602.000,00. Ook de vermogenspositie van LET heeft een negatieve ontwikkeling ondergaan: van een positief eigen vermogen van € 173.557,00 per 31 december 2015 naar een negatief eigen vermogen van € 276.581,00 per 31 december 2016, een totale afname dus van € 450.138,00. In diezelfde periode is de waarde van de in de boekhouding opgenomen materiële vaste activa afgenomen van € 108.321,00 per 31 december 2015 naar € 17.300,00 per 31 december 2016, wat neerkomt op een negatieve ontwikkeling ter grootte van € 91.021,00.
5.4.3.De curator stelt (primair) dat deze negatieve ontwikkelingen in de financiële situatie van LET te wijten zijn aan onbehoorlijke taakvervulling door [appellanten] De curator erkent dat LET een administratie heeft gevoerd, maar verwijt [appellanten] dat er tal van betalingen en vermogensverschuivingen van LET naar de andere groepsvennootschappen hebben plaatsgevonden waarvoor in de administratie elke specificatie en/of onderbouwing met onderliggende stukken ontbreken. In dat verband heeft de curator onder meer de volgende voorbeelden genoemd:
- in 2016 hebben in de periode van 3 februari 2016 tot en met 23 september 2016 twaalf betalingen plaatsgevonden van LET naar andere groepsvennootschappen zoals DTS en LWI voor een totaal bedrag van € 78.907,00, ten aanzien waarvan voor een bedrag van € 58.900,00 in de administratie geen onderliggende bescheiden of facturen zijn aangetroffen;
- in 2016 hebben voor een totaalbedrag van € 277.400,00 aan betalingen in rekening-courant plaatsgevonden van LET naar DTS en LWI waarvoor in de administratie evenmin een specificatie, onderliggende bescheiden en/of facturen zijn aangetroffen;
- in 2017 hebben vlak vóór het faillissement van LET vanuit LET overboekingen plaatsgevonden naar DTS en LWI voor een totaalbedrag van € 29.000,00 waarvoor elke onderbouwing ontbreekt;
- in 2016 (€ 6.500,00) en in 2017 (€ 5.531,00 en € 2.531,45) hebben betalingen vanuit LET naar [appellant] in privé plaatsgevonden ten titel van terugboeking lening, kilometervergoeding en gas, water en licht zonder dat uit de administratie blijkt van enige grondslag voor deze betalingen en/of onderliggende schriftelijke overeenkomsten;
- uit de concept jaarstukken 2016 blijkt dat LET een vordering had op de holding van € 35.500,00 en op LWI van € 167.000,00 en op faillissementsdatum (11 juli 2017) had LET een vordering op DTS van € 176.928,00. Nadat het faillissement van LET is uitgesproken, zijn deze vorderingen administratief weggeboekt zonder onderbouwing met in de administratie aanwezige onderliggende stukken;
- per 31 december 2016 zijn in de administratie grootboekmutaties doorgevoerd waarbij de activa van LET (inventaris, machines en gebouwen) tegen een boekwaarde van € 91.802,00 is overgedragen aan de holding. Ten aanzien hiervan zijn geen overeenkomsten en/of inhoudelijke toelichting (wat is er precies verkocht, bedrijfseconomische reden verkoop?) in de administratie gevonden;
- de schuld van LET aan LWI is toegenomen van € 48.000,00 per 31 december 2016 naar € 103.402,00 per datum faillissement (11 juli 2017) met als enkele toelichting ‘saldering conform een getekende concernovereenkomst op 1 maart 2016’ en zonder enige nadere inhoudelijke onderbouwing. Ten tijde van de constatering van deze toename door de curator en/of de door de curator ingeschakelde registeraccountant [persoon A] werd er in de administratie geen concernovereenkomst aangetroffen.
De curator heeft deze voorbeelden onderbouwd met het ‘Rapport Feitelijke Bevindingen’ van 7 februari 2019, opgesteld door registeraccountant [persoon A]. Deze heeft in opdracht van de curator de financiële administratie van LET doorgelicht.
5.4.4.Hoewel [appellanten] in hoger beroep de juistheid van het rapport met bevindingen van registeraccountant [persoon A] ter discussie stellen, betwisten zij voornoemde betalingen en overboekingen niet. Zij betwisten evenmin dat deze transacties niet (afzonderlijk) in de administratie zijn gespecificeerd of onderbouwd met onderliggende bescheiden. Desalniettemin zijn zij van mening dat zij als bestuur ten aanzien van LET hebben voldaan aan hun boekhoudplicht. Zij voeren daartoe in de eerste plaats aan dat de grondslag voor de desbetreffende betalingen en overboekingen is gelegen in de tussen de holding, LET, LWI en DTS gesloten concernovereenkomst van 1 maart 2016. Deze hebben zij voor het eerst in hoger beroep in het geding gebracht. Nog daargelaten dat de curator de authenticiteit van dit stuk gemotiveerd betwist, geeft dit stuk naar het oordeel van het hof op geen enkele wijze een verklaring voor bovengenoemde transacties. In de concernovereenkomst staat niet meer dan dat LET, LWI en DTS als dochtermaatschappijen jaarlijks achteraf 1% van hun omzet zullen bijdragen in de jaarlijkse kosten van de holding. Uit de concept jaarstukken over 2016 volgt dat de totale omzet van LET in 2016 € 2.415.000,00 was. Op basis van voornoemde afspraak in de concernovereenkomst zou LET dan aan de holding over 2016 een bijdrage van € 24.150,00 zijn verschuldigd geweest. Gelet op de hoogte van voornoemde bijdrage en de bepaling in de overeenkomst dat LET deze bijdrage moet betalen aan de holding (en dus niet (ook) aan de andere groepsvennootschappen), kan niet worden volgehouden dat de grondslag van het totaal aan transacties dat in 2016 heeft plaatsgevonden vanuit LET naar de holding én de andere groepsvennootschappen gelegen is in de in de concernovereenkomst vermelde afspraak.
5.4.5.Anders dan [appellanten] menen, brengt het overzicht dat zij in eerste aanleg als productie 14 hebben overgelegd, geen duidelijkheid in de schuldverhoudingen tussen de groepsvennootschappen en geeft dit evenmin een verklaring voor de onder 5.4.3 genoemde transacties. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat dit overzicht zonder nadere toelichting, die [appellanten] ook in hoger beroep niet geven, onbegrijpelijk is. Voor zover [appellanten] zich op het standpunt stellen dat de concernovereenkomst het overzicht voldoende toelicht, gaat het hof hieraan voorbij. Uit de concernovereenkomst volgt, zoals hiervoor al overwogen, immers enkel de afspraak over de door de groepsvennootschappen aan de holding verschuldigde bijdrage van 1 %. Dat bij het opstellen van de jaarrekeningen 2016 bleek dat kosten en baten van groepsvennootschappen per abuis deels in de administratie van LET waren geboekt - volgens [appellanten] de reden voor de opstelling van het overzicht - maakt, nog daargelaten dat [appellanten] die stelling op geen enkele wijze onderbouwen, het overzicht evenmin begrijpelijk.
Het standpunt van [appellanten] dat zij de curator de mogelijkheid hebben geboden om alle benodigde informatie te verkrijgen, maar dat de curator hiervan geen gebruik heeft gemaakt, kan hen evenmin baten. Uit de inhoudelijk niet weersproken e-mail van de curator van 16 november 2017, daarop ontvangen overzichten van de accountant van [appellanten] (waaronder het hiervoor genoemde overzicht) en de e-mail van de curator van 12 december 2017 blijkt dat de curator wel degelijk heeft getracht nadere informatie/onderbouwing van de transacties te verkrijgen. Uit niets blijkt dat [appellanten] deze hebben verstrekt. Ook in hoger beroep laten zij dit (wederom) na.