Het pensioenfonds heeft in 2018 vastgesteld dat belanghebbende recht heeft op een invaliditeitspensioen over de jaren 2002 tot en met 2018, dat in 2018 volledig is uitbetaald en belast. Belanghebbende betwist dat het pensioen over de jaren 2001-2017 in 2018 volledig belastbaar is en beroept zich op artikel 13a, lid 2, Wet LB 1964, dat een afwijkend genietingstijdstip mogelijk maakt.
De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard en het hof bevestigt deze uitspraak. Het hof oordeelt dat het pensioenfonds pas in 2018 het recht op het pensioen heeft erkend, waardoor het pensioen vóór 2018 niet vorderbaar of inbaar was. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat het pensioen eerder genoten is of dat hij zeggenschap had over het genietingstijdstip.
Het hof benadrukt dat zelfs indien belanghebbende met het pensioenfonds heeft ingestemd met uitbetaling in 2018, dit niet gelijkstaat aan een overeengekomen ongebruikelijk genietingstijdstip zoals bedoeld in artikel 13a, lid 2, Wet LB 1964. Hoewel de belastingheffing als onredelijk kan worden ervaren, mag het hof niet toetsen aan redelijkheid of billijkheid. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.