ECLI:NL:HR:2005:AT7631
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- C.B. Bavinck
- J.W. van den Berge
- C.J.J. van Maanen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toepassing artikel 13a lid 2 Wet LB 1964 op hoogleraar in dienstbetrekking
Belanghebbende kreeg naheffingsaanslagen loonbelasting opgelegd over de periodes september 1999 tot september 2000. De Inspecteur handhaafde deels de aanslagen, maar het Hof verklaarde de beroepen gegrond en verminderde de aanslagen aanzienlijk. De Hoge Raad stelde vast dat belanghebbende een bijzondere leerstoel had gevestigd en een hoogleraar (G) had benoemd, die tevens statutair directeur en aandeelhouder was van een BV die facturen stuurde voor het hoogleraarschap.
Het Hof had geoordeeld dat G in dienstbetrekking stond tot belanghebbende en dat artikel 13a lid 2 Wet LB 1964 van toepassing was, waardoor G loon had genoten en de naheffingsaanslagen terecht waren. De Hoge Raad verwierp dit oordeel omdat artikel 13a lid 2 Wet LB 1964 volgens de ontstaansgeschiedenis uitsluitend bedoeld is voor de verhouding tussen directeur-grootaandeelhouder en zijn BV, en niet voor gewone werknemers zoals hoogleraren.
De Hoge Raad vernietigde daarom de uitspraken van het Hof en de Inspecteur, vernietigde de naheffingsaanslagen en veroordeelde de Staat tot vergoeding van de proceskosten. Hiermee werd bevestigd dat de toepassing van artikel 13a lid 2 Wet LB 1964 beperkt is tot situaties waarin sprake is van een directeur-grootaandeelhouder, en niet van toepassing is op hoogleraren in dienstbetrekking.
Uitkomst: De naheffingsaanslagen loonbelasting worden vernietigd omdat artikel 13a lid 2 Wet LB 1964 niet van toepassing is op hoogleraren in dienstbetrekking.