De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor meermalen gepleegde valsheid in geschrift en stelde hoger beroep in tegen de strafoplegging en een partiële vrijspraak. De verdediging voerde primair niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie aan vanwege een eerdere bestuurlijke boete en subsidiar bewijsuitsluiting wegens schending van artikel 359a Sv.
Het hof oordeelde dat de bestuurlijke boete niet aan vervolging in de weg staat omdat het niet gaat om hetzelfde feit: het ten laste gelegde betreft het valselijk opmaken van geschriften, terwijl de boete betrekking had op het gebruik ervan. De bewijsuitsluiting werd verworpen omdat er geen redelijk vermoeden van schuld bestond bij het indienen van de vordering ex artikel 126nd Sv en het nemo tenetur-beginsel niet was geschonden.
De straf werd gematigd tot 3 maanden gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf van 80 uur met 40 dagen hechtenis als substituut, mede vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Het hof verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk voor het deel van de vrijspraak dat op het factuuronderdeel zag.
De uitspraak benadrukt de nauwe toetsing van het una via- en ne bis in idem-beginsel en bevestigt dat bestuurlijke boetes niet automatisch vervolgingsbeletselen zijn als het strafbare feit juridisch verschilt. Tevens is de toepassing van bewijsuitsluiting strikt en gebonden aan het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte zelf.