Bij koopovereenkomst van januari 2018 heeft de vader van appellanten zijn woning verkocht aan geïntimeerde onder voorbehoud van het recht van gebruik en bewoning. De koopsom was hoger dan de getaxeerde waarde. Na het overlijden van de vader vorderden appellanten in eerste aanleg inkorting van een vermeende gift.
De kantonrechter wees de vordering af en appellanten gingen in hoger beroep met een gewijzigde eis. Het geschil spitste zich toe op de vraag of de verkoop een gift inhield en of de legitieme porties van de erfgenamen waren geschonden.
Het hof oordeelde dat geen sprake was van een gift omdat geen bevoordelingsbedoeling bij de verkoper bestond. De taxatie en de verkoopprijs ondersteunen dit oordeel, evenals het feit dat de verkoper zijn kinderen als erfgenamen benoemde. Het hoger beroep faalt en het vonnis van de kantonrechter wordt bekrachtigd, met veroordeling van appellanten in de kosten van het hoger beroep.