Het gerechtshof 's-Hertogenbosch behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg inzake de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel van betrokkene bij medeplegen van verboden stoffenhandel.
De rechtbank had het voordeel vastgesteld op €43.217,50 en een betalingsverplichting opgelegd van hetzelfde bedrag. Het hof vernietigt dit vonnis en stelt het voordeel opnieuw vast op €43.463,24, waarvan de helft wordt toegerekend aan betrokkene, zijnde €21.731,62. De betalingsverplichting wordt echter nihil gesteld vanwege het verlies van bedrijfsmiddelen.
Het hof baseert zich op uitgebreide financiële analyses van de bedrijfsresultaten van de onderneming [bedrijf 1], waarin betrokkene en zijn broer als vennoten en later als bestuurders en aandeelhouders van de holding [bedrijf 2] betrokken waren. Hierbij is rekening gehouden met vennootschapsbelasting en een correctie voor legale verkopen aan particulieren.
De toerekening van het voordeel aan betrokkene is gebaseerd op zijn zeggenschap en feitelijke leiding over de onderneming. Het hof acht aannemelijk dat het voordeel ook daadwerkelijk tot betrokkene is gekomen, direct of indirect.
Het arrest is gewezen op 17 augustus 2023 door mr. S. Riemens, voorzitter, mr. A.J.M. van Gink en mr. E.F. Stamhuis, waarbij laatstgenoemde buiten staat was mede te ondertekenen.