Belanghebbende, gebruiker van een autobedrijfspand, maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde 2020 van €3.982.000, welke door de heffingsambtenaar was onderbouwd met taxatierapporten en verschillende waarderingsmethoden. Na ongegrond verklaring van het bezwaar en beroep bij de rechtbank, stelde belanghebbende hoger beroep in bij het hof.
Het hof beoordeelde onder meer het beroep op artikel 10:3, lid 3, Awb over de betrokkenheid van de taxateur bij het primaire besluit en de uitspraak op bezwaar, en verwierp dit. Ook het vermeende vormgebrek in de uitspraak van de rechtbank werd niet gegrond verklaard. De motivering van de WOZ-waarde, gebaseerd op de huurwaardekapitalisatiemethode, vergelijkingsmethode en transactiecijfer, werd als voldoende inzichtelijk en onderbouwd beoordeeld.
De heffingsambtenaar toonde aan dat de huurwaarde en kapitalisatiefactor passend waren vastgesteld aan de hand van vergelijkbare referentieobjecten en dat het transactiecijfer van de onroerende zaak zelf, ondanks de afstand tot de waardepeildatum, bruikbaar was ter ondersteuning van de waarde. Het hof concludeerde dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld en verklaarde het hoger beroep ongegrond, waarbij de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.