Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Gemeente Tilburg ,zetelend te Tilburg ,
[X] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 9722969 CV EXPL 22-845)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met producties;
- de memorie van antwoord in het principaal appel tevens memorie van grieven in het incidenteel appel met producties;
- de memorie van antwoord in het incidenteel appel.
3.De beoordeling
Vast is komen te staan dat [geïntimeerde] de kruising schuin is overgestoken. Zij is na het oversteken van de kruising nog een stuk over de rijbaan bedoeld voor gemotoriseerd verkeer gefietst. Vanaf de rijbaan heeft [geïntimeerde] geprobeerd (of de bedoeling gehad) over de dubbele (aan weerszijden van de biggenruggen) doorgetrokken witte strepen, het fietspad op te fietsen.” Met hetgeen de gemeente c.s. aldus heeft aangevoerd, erkent de gemeente c.s. de stelling van [geïntimeerde] in randnummer 3 van het inleidend verzoekschrift, hiervoor samengevat in rov. 3.3.2., dat zij heeft geprobeerd om vanaf de rijbaan voor gemotoriseerd verkeer het fietspad op te fietsen. Dat staat daarmee vast. [geïntimeerde] heeft gesteld dat zij daardoor ten val is gekomen over biggenruggen. De gemeente c.s. heeft dat betwist. Nu vaststaat dat [geïntimeerde] heeft geprobeerd om vanaf de rijbaan het fietspad op te fietsen en tussen partijen niet in geschil is dat de rijbaan en het fietspad worden gescheiden door dubbele doorgetrokken witte strepen en dat zich tussen die strepen biggenruggen bevinden, had het op de weg van de gemeente c.s. gelegen om haar betwisting van de stelling dat [geïntimeerde] als gevolg van het in aanraking komen met een biggenrug is gevallen, nader te onderbouwen. Dat heeft zij ook in hoger beroep niet gedaan. Met de rechtbank oordeelt het hof dan ook dat de door [geïntimeerde] gestelde toedracht van het ongeval is komen vast te staan.
Val van fiets waarbij patiente op het rechter aangezicht, de rechterschouder (…) terecht kwam”, hetgeen past bij de door [geïntimeerde] geschetste ongevalstoedracht (rov. 3.3.2). De verklaring van [echtgenoot] , die kennelijk met [geïntimeerde] opreed en uit eigen waarneming verklaart, is gedetailleerd met betrekking tot relevante omstandigheden, zoals moment (tijdstip, donker, harde regen), rijgedrag en rijrichting van [geïntimeerde] , weginrichting en de plek waar [geïntimeerde] volgens [echtgenoot] ten val is gekomen. [echtgenoot] verklaart:
“(…) Ik reed op dat moment aan de linkerkant en mijn vrouw aan de rechterkant, toen ik ineens een harde knal hoorde. Ik begreep onmiddellijk dat mijn vrouw ergens tegenaan gebotst was en ik zag dat zij van haar fiets was gevallen. Zij lag doodstil op straat met haar hoofd zo’n 10 centimeter van het trottoir af. Ik zag dat haar fiets aan de linkerkant van een betonnen balk lag (ik kende de term biggenrug toen helemaal nog niet) en dat zij aan de andere kant hiervan lag. Zij was daar met volle vaart tegenaan geknald.”