Conclusie
adv.: mr. M.E. Franke
niet verschenen
ABN AMRO’ respectievelijk ‘
benadeelde’.
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
- i) Op 12 maart 2015 heeft benadeelde het kantoor van ABN AMRO te Hulst bezocht. Hij heeft zijn auto geparkeerd op het (toen) aan ABN AMRO in eigendom toebehorende en door haar geëxploiteerde parkeerterrein aan de Grote Zwanenstraat (‘
- ii) Het parkeerterrein heeft een zogenaamde visgraatindeling van de parkeervakken. De parkeervakken zijn op de kop uitgerust met een ovaalvormige grijskleurige betonnen drempel, een zogenaamde biggenrug, die ertoe dient te voorkomen dat auto's te ver doorrijden in het parkeervak. De twee rijen van vijf parkeervakken bevinden zich in het midden van het parkeerterrein. Elke rij parkeervakken is te bereiken via een rijbaan en een eigen in- en uitgang aan de Grote Zwanenstraat.
primairtot betaling van € 645.413,03,
subsidiairtot vergoeding van schade op te maken bij staat.
3.Juridisch kader
gebrekkigis), (ii) dat zij daardoor gevaar voor personen of zaken oplevert, en (iii) dat dit gevaar zich heeft verwezenlijkt. [8] De aansprakelijkheid is niet verbonden aan een schadeveroorzakende gedraging, maar aan de schadeveroorzakende toestand van de opstal. Het doet niet ter zake of die toestand is veroorzaakt door enige gedraging. [9]
de mate van waarschijnlijkheid van [de verwezenlijking van het risico] zo groot is, dat de dader zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van dat gedrag had moeten onthouden.” [20] Wanneer dit het geval is, is afhankelijk van de overige relevante omstandigheden van het geval. [21]
4.Bespreking van het cassatiemiddel
toegepast. [29]
de huidige parkeerplaatsinrichting te beoordelen en te analyseren of een alternatieve indeling mogelijk is op de beschreven locatie” (memo, p.1). Er is dus geen advies gegeven over de veiligheid/gebrekkigheid van de parkeerplaats, aldus het middel.
geen noodzaak bestond voor een visgraatindeling van de parkeervakken” en dat in het alternatieve ontwerp geen biggenruggen waren vereist, [38] om dit vervolgens af te wegen tegen diverse andere omstandigheden. Dit is niet onbegrijpelijk. Subonderdeel 4.1 faalt.
En waar uit het memo [het adviesbureau] blijkt dat de vakken van het parkeerterrein iets kleiner zijn dan aanbevolen (en dat smallere niet-eenrichtings-rijbanen zijn toegepast) betekende dat noodzakelijkerwijs minder vrije loopruimte.”Het subonderdeel bevat twee klachten.
eersteklacht, houdt in dat, naar ABN AMRO heeft aangevoerd, de
parkeervakkenals zodanig geen looppad zijn, zodat onbegrijpelijk is hoe het hof tot het oordeel is gekomen dat de kleinere parkeervakken tot minder vrije loopruimte leiden. [39]
loopruimte”kennelijk bedoeld: de loopruimte
tussen de auto’s. Het hof heeft immers vastgesteld dat in het memo [het adviesbureau] onder het kopje ‘
Looproutes en parkeerstootbanden’staat dat
“[d]e huidige inrichting […] gebruikers [dwingt] tussen de auto’s door te lopen.” (rov. 5.5.6), terwijl de alternatieve indeling een “
vrije bewegingsruimte over het gehele terrein” biedt “
waarbij niet tussen geparkeerde auto’s behoeft te worden gelopen”. Het hof heeft kennelijk in rov. 5.5.9, met de verwijzing naar het memo [het adviesbureau] , de stelling van ABN AMRO verworpen dat de ruimte tussen de auto’s geen looproute was. Dat is niet onbegrijpelijk in het licht van de aangehaalde passage uit het memo. Het hof heeft bovendien in rov. 3.1.2 en onder verwijzing naar productie 5 vastgesteld – hetgeen in cassatie onbestreden is gebleven – dat het parkeerterrein een zogenaamde visgraatindeling heeft, waarbij de parkeervakken gelegen zijn in het midden van het terrein en direct op elkaar aansluiten. Tegen de achtergrond van deze vaststellingen is de conclusie dat kleinere parkeervakken minder loopruimte tussen de auto’s opleveren, niet onbegrijpelijk. De klacht faalt.
weedeklacht, berust op de lezing dat het hof van oordeel is dat de smallere
rijbanentot minder vrije loopruimte leiden. Geklaagd wordt dat dit oordeel onbegrijpelijk is, omdat de totale vrije loopruimte van de huidige twee (smalle) rijbanen in de huidige inrichting niet kleiner is dan het voorgestelde alternatief met één bredere rijbaan. [40]
in de woorden van ABN AMRO “enig contrast”.In deze overweging ligt besloten dat het hof de stelling van ABN AMRO dat de biggenruggen door hun reliëf overdag goed zichtbaar zijn, heeft verworpen. Voor zover het middel betoogt dat het hof ook expliciet had moeten ingaan op de omstandigheid dat het ongeval overdag plaatsvond (stelling 1, tweede gedeelte), stelt het te hoge eisen aan de motiveringsplicht van het hof. In casu heeft het hof vastgesteld dat benadeelde is gevallen tijdens een bezoek aan het kantoor van ABN AMRO. Het is geen onderdeel van partijdebat geweest dat dit bezoek buiten kantoortijden viel of dat sprake was van slechte zichtbaarheid als gevolg van schemer of een nachtelijk tijdstip. [41]
Een geparkeerde auto kan deels over een biggenrug heen staan en schaduwwerking door geparkeerde auto’s en omliggende bebouwing […] kan een biggenrug minder goed zichtbaar maken.”Ik meen dat het hof hiermee slechts heeft willen opmerken dat er verschillende oorzaken kunnen zijn voor de slechte zichtbaarheid van een biggenrug. Het hof heeft vastgesteld dat de biggenrug in het onderhavige geval aan het zicht onttrokken was doordat een geparkeerde auto deels over de biggenrug heen stond. [42] De schaduwwerking van de geparkeerde auto of de omliggende bebouwing is, zo lees ik, niet de oorzaak van de slechte zichtbaarheid. Bij deze stand van zaken behoefde het hof niet specifiek in te gaan op stelling 2.
eersteklacht, stelt aan de orde dat het hof in rov. 5.5.11, waar het overweegt dat biggenruggen “
naar hun aard obstakels zijn waarover mensen kunnen struikelen”, voorbijgaat aan een drietal essentiële stellingen van ABN AMRO. ABN AMRO heeft gesteld dat biggenruggen geen
onverwachteobstakels zijn, dat benadeelde de biggenruggen moet hebben gezien en gevoeld bij het oprijden in het parkeervak, en dat benadeelde dus rekening kon en moest houden met de aanwezigheid van biggenruggen.
tweedeklacht, bestempelt als onbegrijpelijk het oordeel van het hof in rov. 5.5.11 dat het struikelen over biggenruggen een
voorzienbaar risicois. Daartoe wordt aangevoerd dat obstakels die gebruikelijk zijn op een parkeerplaats en die men kan waarnemen geen extra kans op schade met zich brengen.
waarschijnlijkrisico of een extra kans op schade. De waarschijnlijkheid van het risico komt pas in de volgende zin aan de orde (“
En in de publieke ruimte met een voortgaande loop van bezoekers is naar de waardering van het hof de kans dat er een keer iemand struikelt en daardoor (lelijk) ten val komt geenszins verwaarloosbaar.”). Het hof heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk met de zinsnede “
En dat risico is voorzienbaar”, slechts duidelijk willen maken dat het gaat om een
kenbaarrisico, dat verband houdt met de omstandigheid dat biggenruggen nu eenmaal naar hun aard obstakels zijn waarover mensen kunnen struikelen. Dat is niet onbegrijpelijk. De klacht faalt.
derdeklacht, betoogt dat het hof is voorbijgegaan aan de stellingen van ABN AMRO dat het risico op vallen door struikelen klein is, dat struikelen niet vaak tot ernstig letsel leidt, en dat er gedurende de vele decennia dat ABN AMRO bezitter van het terrein is geweest nooit eerder een struikel- of valpartij heeft plaatsgevonden. [44] Volgens ABN AMRO bestaat een geringe kans op struikelen op elk terrein met een ongelijkheid of obstakel en is niet begrijpelijk waarom in onderhavig geval voorzorgsmaatregelen hadden moeten worden genomen. [45]
geenszins verwaarloosbaar” is. Hiermee heeft het hof nog niet duidelijk gemaakt of deze niet verwaarloosbare kans gering of groot is. Bovendien blijft onduidelijk waarom het hof van oordeel is dat het “
geenszins verwaarloosbare”risico zo groot is dat dit het ‘normale levensrisico’ overstijgt. Daarbij is mijns inziens met name van belang dat biggenruggen (en vergelijkbare obstakels) zich op veel (parkeer)terreinen bevinden. In zoverre heeft het hof zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd, en treft de klacht doel.
eersteklacht, is gericht tegen de overweging van het hof in rov 5.5.11 dat “
in de publieke ruimte met een voortgaande loop van bezoekers […] de kans dat er een keer iemand struikelt en daardoor (lelijk) ten val komt geenszins verwaarloosbaar [is].” De klacht berust op de lezing dat het hof aanneemt dat sprake zou zijn van een voortgaande loop op de plaats waar benadeelde struikelde. Die aanname is onbegrijpelijk, waarbij het hof niet (kenbaar) is ingegaan op de stelling van ABN AMRO dat de parkeervakken geen loopgebied zijn.” [47]
tweedeklacht, klaagt dat het hof niet (kenbaar) in zijn beoordeling heeft betrokken de als essentieel aan te merken stelling van ABN AMRO dat de benadeelde een niet voor de hand liggende route heeft gekozen en zich tussen de auto’s en biggenruggen door heeft gemanoeuvreerd, en dat van degene die voor zo’n route kiest, extra voorzichtigheid en oplettendheid mag worden verwacht. [48]
kennelijk onvoldoende oplettend is geweest terwijl er gelet op de aard van het terrein extra oplettendheid was vereist”,waarop het hof heeft geoordeeld dat “
[v]an een voetganger […] op een parkeerterrein de nodige oplettendheid [mag] worden verwacht”en dat “
een voetganger rekening [moet] houden met geplaatste afscheidingen, zoals hekjes, paaltjes, plantenbakken en betonnen verhogingen zoals biggenruggen op een parkeerterrein”, maar het hof had in het kader van de gebrekkigheidsvraag niet zonder meer de voornoemde stellingen mogen passeren. In het kader van de gebrekkigheidsvraag is immers ook van belang of rekening moest worden gehouden met onvoorzichtige bezoekers en of bezoekers bedacht moesten zijn op betonnen verhogingen. [49] De klacht slaagt.
De afwezigheid van een ‘markering’ heeft in casu geen rol van betekenis gespeeld aangezien het uitstekende gedeelte juist wel zichtbaar was […]. Het ongeval is dan ook niet terug te voeren op een markering maar op het gegeven dat [benadeelde] tussen de geparkeerde auto’s door is gelopen zonder goed op te letten.”
ASVV 2012) in rov. 5.5.5 en 5.5.8.
iets kleinerzijn dan de aanbevolen waarden(curs. A-G)”. De vaststelling dat het parkeerterrein daarmee niet voldeed aan de aanbevolen maatvoering is niet onbegrijpelijk. De klacht faalt.
kennelijk woekeren met de beschikbare ruimte” (rov. 5.5.8) en “
betekende dat noodzakelijkerwijs minder vrije loopruimte” (rov. 5.5.9). Omdat het hof, zoals gezegd, niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat de ruimte tussen de auto’s moet worden aangemerkt als loopruimte, zet het vervolgens de stap dat “
de kans dat er een keer iemand struikelt en daardoor (lelijk) ten val komt geenszins verwaarloosbaar” is (rov. 5.5.11). Daarnaast neemt het hof de afwijkende maatvoering mee bij zijn overweging dat veiligheidsmaatregelen achterwege zijn gebleven (5.5.11 en 5.5.12). In rov. 5.5.6 stelt het hof namelijk op grond van het memo [het adviesbureau] vast dat er een alternatieve indeling mogelijk is, die wel voldoet aan de aanbevolen maatvoering en waarbij er geen noodzaak is tot de toepassing van biggenruggen. Het hof herhaalt dit in rov. 5.5.9. De klacht faalt.
subonderdeel 5.3lees ik, gelet op de toelichting, een drietal klachten.
eersteklacht, luidt dat de verwijzing naar de maatvoering volgens de ASVV onbegrijpelijk is, omdat voor het oordeel omtrent de gebrekkigheid de afwezigheid van markeringen op de biggenruggen en de afwezigheid van waarschuwingen doorslaggevend waren. [55] De klacht vertoont overlap met subonderdeel 5.2 en strandt op hetgeen terzake is betoogd (randnummer 4.48).
tweedeklacht, houdt in dat het oordeel van het hof dat het parkeerterrein gebrekkig was vanwege de afwezigheid van markeringen op de biggenruggen en de afwezigheid van waarschuwingen, onbegrijpelijk is gelet op het feit dat de ASVV 2012 op dit punt geen aanbevelingen bevat. [56] Het middel miskent dat de afwezigheid van aanbevelingen of de naleving van bestaande aanbevelingen niet betekent dat het terrein niet gebrekkig kan zijn. Ik verwijs hiervoor naar randnummer 4.44 hiervoor. De klacht faalt.
derdeklacht, is het oordeel van het hof dat het parkeerterrein gebrekkig is, onbegrijpelijk, nu het hof nergens vaststelt dat de biggenruggen qua contrast of markering afwijken van gebruikelijke biggenruggen of dat het parkeerterrein door de afwezigheid van waarschuwingen afwijkt van andere parkeerterreinen waar biggenruggen zijn geplaatst. [57] Subonderdeel 5.3, derde klacht, vertoont overlap met subonderdeel 5.4 en zal daarom tezamen met dat subonderdeel worden besproken (randnummer 4.54).
dat ook een eenvoudige en goedkope bijdrage aan de veiligheid als het aanbrengen van een contrasterende kleur op de biggenruggen achterwege is gebleven, anders gezegd een mogelijk en redelijkerwijs te vergen maatregel”. Reeds op die grond kon het hof begrijpelijkerwijs tot het oordeel komen dat veiligheidsmaatregelen niet bezwaarlijk waren en achterwege zijn gebleven.
helder” zijn, en waarbij het hof in aanmerking neemt dat de aanduiding ‘parkeerterrein’ ‘al voldoende zegt’ en dat sprake is van een “
publieksfunctie”. Onderdeel 6 klaagt dat het zonder nadere motivering onbegrijpelijk is hoe het hof tot de conclusie is gekomen dat het gebruik en de bestemming van het parkeerterrein “
helder”zijn, mede omdat niet (kenbaar) is ingegaan op de volgende stellingen: [63]
helder” in rov. 5.5.11 overwogen dat het terrein gebruikt werd en bestemd was om auto’s op te parkeren. Dat is niet onbegrijpelijk in het licht van de onbestreden vaststelling dat het ongeval plaats had gevonden op een ‘parkeerterrein’. In rov. 3.1.1 heeft het hof, en ook dat is in cassatie niet bestreden, vastgesteld dat het parkeerterrein in eigendom toebehoorde aan en geëxploiteerd werd door ABN AMRO. Het hof heeft deze omstandigheid echter niet van belang geacht. Dat is niet onbegrijpelijk in het licht van de vaststelling in rov. 5.5.2 dat het een
“publiek toegankelijk” parkeerterrein betrof. Bespreking van de omstandigheid dat het parkeerterrein ‘omheind’ was, behoefde begrijpelijkerwijs geen nadere bespreking. De tweede stelling (‘het terrein wordt geëxploiteerd ten behoeve van ABN AMRO’s bezoekers’) heeft het hof betrokken in rov. 5.5.2 (waarnaar het eveneens verwijst in rov. 5.5.11), waar het overweegt dat ABN AMRO een “
voor het publiek (klanten) toegankelijke vestiging”had en dat “
klanten[…] gebruik [konden] maken van het parkeerterrein van ABN AMRO(onderstreping, A-G).” De stelling dat het terrein alleen overdag werd gebruikt, behoefde geen aparte bespreking. Tot slot behoefde ook de stelling dat het terrein geen doorgaande route of een verbinding naar een andere plek vormde, geen nadere bespreking. Het hof had immers in rov. 3.1.2 reeds vastgesteld, en dat was onweersproken gebleven, dat het parkeerterrein via een “
eigen in- en uitgang aan de Grote Zwanenstraat”was te bereiken. Gelet op deze vaststelling is het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk. De klacht faalt.
een openbare weg” in de zin van art. 6:174 lid Pro 6 (en art. 6:174 lid Pro 2) BW, omdat onweersproken was gebleven dat het parkeerterrein
“voor het publiek toegankelijk”was. Het hof heeft hiermee miskend dat de enkele publiek toegankelijkheid van een terrein of weg nog niet voldoende is om dit terrein of deze weg als ‘openbare weg’ in de zin van art. 6:174 lid 2 en Pro lid 6 BW aan te merken. [64] Voor de uitleg van ‘openbare weg’ in de zin van art. 6:174 lid 2 en Pro 6 BW moet namelijk volgens de parlementaire geschiedenis aansluiting worden gezocht bij de Wegenwet. [65]
dat het i.c. niet gaat om beoordeling van het handelen, waaronder het handelen als wegbeheerder, van een overheidsorgaan waaraan inherent een uitoefening van bevoegdheid en uitvoering van publieke taak, met de aan dat orgaan toekomende beleidsvrijheid en de financiële middelen die hem in dat verband ten dienste staan, vgl. HR 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6236 (Wilnis). Dat ABN AMRO in een vergelijkbare positie verkeert inclusief de keuzes die bij de aanwending van beperkte, al dan niet publieke, financiële middelen gemaakt dienen te worden is gesteld noch gebleken”(rov. 5.5.11, sub b). Het middel betoogt dat het hof uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat aan een private terreinbezitter andere, “
kennelijk: minder, beleidsvrijheid”toekomt bij het inrichten van het parkeerterrein.
“in een vergelijkbare positie” als een overheidsorgaan verkeert. Hiermee heeft het hof kennelijk alleen duidelijk willen maken dat het ‘financiële middelen’-verweer geen toepassing vindt. De klacht faalt.