In deze civiele procedure staat de tenuitvoerlegging van een koopovereenkomst voor een landgoed centraal. Appellant had een bod gedaan op het landgoed, waarna partijen een koopcontract sloten zonder financieringsvoorbehoud. Appellant betaalde slechts een deel van de waarborgsom en leverde niet, waarna de rechtbank hem veroordeelde tot nakoming en betaling van boetes.
Appellant verzocht in hoger beroep om schorsing van de tenuitvoerlegging op grond van zijn financiële situatie, woonplaats in Duitsland en het feit dat hij mede-eigenaar is van onroerende zaken in een onverdeelde gemeenschap. Tevens stelde hij dat hij in eerste aanleg niet volledig gehoord was, waardoor geen eerlijk proces had plaatsgevonden.
Het hof oordeelt dat de Duitse procedure niet hetzelfde onderwerp betreft en dat het hof bevoegd is. Het hof stelt dat alleen nieuwe feiten na het vonnis in eerste aanleg tot heroverweging kunnen leiden en dat appellant onvoldoende nieuwe omstandigheden heeft aangevoerd. Ook is het beroep op een oneerlijk proces ongegrond, aangezien appellant ruimschoots gelegenheid had zijn standpunt toe te lichten.
De vordering tot schorsing wordt daarom afgewezen, en de beslissing over proceskosten wordt aangehouden tot de einduitspraak in de hoofdzaak. De hoofdzaak zelf is nog in behandeling en verdere beslissingen worden aangehouden.