Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Uitspraak : 17 februari 2023
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Verzoekster diende een wrakingsverzoek in tegen raadsheer Meeuwis, voorzitter van de enkelvoudige strafkamer, wegens vermeende partijdigheid en vooringenomenheid. Zij stelde dat de raadsheer de advocaat-generaal op eigen initiatief had geholpen en beslissingen nam zonder haar grieven te hebben gezien.
De wrakingskamer behandelde het verzoek op zitting en hoorde zowel verzoekster als de raadsheer en de advocaat-generaal. De kamer overwoog dat een rechter uit hoofde van zijn functie wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij uitzonderlijke omstandigheden het tegendeel aantonen.
De wrakingskamer concludeerde dat het noemen van jurisprudentie door de raadsheer niet neerkomt op het helpen van de advocaat-generaal, maar diende ter informatie van alle partijen. Ook het schorsen van de terechtzitting na overleg met de advocaat-generaal was niet onpartijdig. Andere aangevoerde gedragingen waren onvoldoende onderbouwd.
Daarom werd het wrakingsverzoek afgewezen en werd bepaald dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het verzoek.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de raadsheer wordt afgewezen wegens gebrek aan objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid.