Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
5.Het verloop van de procedure
- het tussenarrest van 26 april 2022;
- de memorie van grieven, tevens houdende voorwaardelijke vermeerdering van eis, met producties F-K;
- een akte houdende wijziging van eis van Belfurn, met productie L;
- de memorie van antwoord in principaal hoger beroep, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep en akte houdende wijziging van eis, met producties 74-89;
- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep, tevens antwoord op eisververmeerdering;
- de mondelinge behandeling op 17 november 2022 waarbij beide partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd;
- de bij brief van mr. Goorts van 2 november 2022 overgelegde akte houdende vermindering van eis, tevens overlegging producties 90-96 die bij akte tijdens de mondelinge behandeling in het geding is gebracht;
- het H16-formulier van mr. Geurts van 3 november 2022 met daarbij producties M-P, die bij akte tijdens de mondelinge behandeling in het geding is gebracht.
6.De verdere beoordeling
“indien van hem in redelijkheid niet kan worden gevergd de onderhavige overeenkomst te laten voortduren”.
“De franchisegever zal dus een redelijke opzeggingsgrond moeten hebben”aan de eerste zin van artikel 16.3 doet geen afbreuk aan de kern van de opzeggingsclausule zoals deze is verwoord in de eerste zin van artikel 16.3 van de side letter bij de franchiseovereenkomst met Belfurn. Feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat beoogd is met deze toevoeging een lagere lat voor een rechtsgeldige opzegging van de franchiseovereenkomst in het leven te roepen, zijn gesteld noch gebleken. Belfurn mocht er dus van uitgaan dat Leen Bakker de overeenkomst slechts kon opzeggen indien van haar, dat wil zeggen: Leen Bakker, in redelijkheid niet kan worden gevergd de overeenkomst te laten voortduren, en Leen Bakker kon ook redelijkerwijze niet anders verwachten.