Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2024:1207

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
10 april 2024
Publicatiedatum
10 april 2024
Zaaknummer
22/01265 tot en met 22/01269
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 80a Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging aanslagen riool- en afvalstoffenbelasting ondanks betwisting ingezetenschap

Belanghebbende maakte bezwaar tegen aanslagen riool- en afvalstoffenbelasting en GFT- en restafval opgelegd door de heffingsambtenaar van de gemeente Waalwijk. Na ongegrondverklaring van het bezwaar door de heffingsambtenaar en de rechtbank, stelde belanghebbende hoger beroep in bij het gerechtshof.

Belanghebbende voerde aan dat hij geen ingezetene is, maar staatsburger van de Republiek der Verenigde Staten van Indonesië, en betwistte daarmee de rechtmatigheid van de aanslagen. Het hof oordeelde dat de heffingen niet afhangen van ingezetenschap, maar van het gebruik van de onroerende zaak. Aangezien belanghebbende gebruiker is van de woning, zijn de aanslagen terecht opgelegd.

Verder wees het hof betogen af dat andere regelingen, zoals het Rijksverzorgingsbeleid voor Ambonezen, de Nederlandse Staat verantwoordelijk zouden maken voor de heffingen. Het hof verwees naar eerdere uitspraken van andere gerechtshoven die vergelijkbare stellingen verwierpen en bevestigde dat het hoger beroep ongegrond is.

Het hof zag geen aanleiding om het griffierecht te vergoeden en wees proceskostenveroordeling af. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 10 april 2024 en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Uitkomst: Het gerechtshof verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de aanslagen riool- en afvalstoffenbelasting aan belanghebbende.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Enkelvoudige Belastingkamer
Nummers: 22/01265 tot en met 22/01269
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 25 mei 2022, nummers BRE 20/6565 tot en met 20/6568 en 20/10349 in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de gemeente Waalwijk,
hierna: de heffingsambtenaar.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De heffingsambtenaar heeft aanslagen riool- en afvalstoffenbelasting en GFT- en restafval opgelegd.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Belanghebbende heeft vóór de zitting een nader stuk ingediend. Dit stuk is doorgestuurd naar de heffingsambtenaar.
1.6.
De zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2024 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en zijn neef [neef] , en, namens de heffingsambtenaar, [heffingsambtenaar] .
1.7.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende woont sinds februari 1969 met zijn ouders en andere gezinsleden aan de [adres] in [woonplaats] . Zijn beide grootvaders waren militair van het Nederlands Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (hierna: KNIL). In september 2018 is zijn vader overleden.
2.2.
De heffingsambtenaar heeft de volgende aanslagen opgelegd:
Hofnummer
Aanslag
Jaar/periode
Aanslagnummer
Dagtekening
22/01265
Riool- en afvalstoffen
2020
[aanslagnummer 1]
31-01-2020
22/01266
Riool- en afvalstoffen
2019
[aanslagnummer 2]
31-01-2019
22/01267
Afval GFT en rest
10/11/12 2019
[aanslagnummer 3]
31-01-2020
22/01268
Afval rest
5 2019
[aanslagnummer 4]
31-07-2019
22/01269
Afval
5/6 2020
[aanslagnummer 5]
31-07-2020

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de aanslagen terecht zijn opgelegd.
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de aanslagen. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
4.1.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de aanslagen ten onrechte zijn opgelegd, omdat hij geen ingezetene is, maar staatsburger van de Republiek der Verenigde Staten van Indonesië.
4.2.
Het hof verwerpt dit betoog. De onderhavige heffingen zijn niet afhankelijk van de vraag of iemand ingezetene is, maar of iemand gebruiker is van de onroerende zaak. Vaststaat dat belanghebbende gebruiker is van de woning [adres] in [woonplaats] . De aanslagen zijn dan ook terecht opgelegd aan belanghebbende.
4.3.
Voorzover belanghebbende betoogt dat op grond van andere regelingen, zoals bijvoorbeeld het Rijksverzorgingsbeleid voor Ambonezen, de Nederlandse Staat verantwoordelijk is voor het voldoen van de onderhavige heffingen, kan dat de rechtmatigheid van de aanslagen niet aantasten en geen onderwerp van dit geschil zijn. Het hof wijst overigens op uitspraken van het Hof Amsterdam [1] en Hof Arnhem-Leeuwarden [2] waarin vergelijkbare stellingen zijn verworpen. De tegen deze uitspraken ingestelde cassatieberoepen zijn door de Hoge Raad met toepassing van artikel 80a Wet op de rechterlijke organisatie, niet-ontvankelijk verklaard.
Tussenconclusie
4.4.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.5.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.6.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene Pro wet bestuursrecht.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep ongegrond;
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door T.A. Gladpootjes, raadsheer, in tegenwoordigheid van E.A.D. Dockx, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 april 2024 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.
De griffier, De raadsheer,
E.A.D. Dockx T.A. Gladpootjes
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.O.a. Hof Amsterdam 12 maart 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:1724, Hof Amsterdam 20 juli 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:3119.
2.Hof Arnhem-Leeuwarden 15 november 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:9844.