Belanghebbende maakte bezwaar tegen aanslagen riool- en afvalstoffenbelasting en GFT- en restafval opgelegd door de heffingsambtenaar van de gemeente Waalwijk. Na ongegrondverklaring van het bezwaar door de heffingsambtenaar en de rechtbank, stelde belanghebbende hoger beroep in bij het gerechtshof.
Belanghebbende voerde aan dat hij geen ingezetene is, maar staatsburger van de Republiek der Verenigde Staten van Indonesië, en betwistte daarmee de rechtmatigheid van de aanslagen. Het hof oordeelde dat de heffingen niet afhangen van ingezetenschap, maar van het gebruik van de onroerende zaak. Aangezien belanghebbende gebruiker is van de woning, zijn de aanslagen terecht opgelegd.
Verder wees het hof betogen af dat andere regelingen, zoals het Rijksverzorgingsbeleid voor Ambonezen, de Nederlandse Staat verantwoordelijk zouden maken voor de heffingen. Het hof verwees naar eerdere uitspraken van andere gerechtshoven die vergelijkbare stellingen verwierpen en bevestigde dat het hoger beroep ongegrond is.
Het hof zag geen aanleiding om het griffierecht te vergoeden en wees proceskostenveroordeling af. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 10 april 2024 en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.