Belanghebbende, eigenaar en bewoner van een woning, stelde dat hij als nakomeling van een Ambonese ex-KNIL militair niet onderworpen is aan Nederlandse wet- en regelgeving en dat hij ten onrechte is ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP). Hij betwistte daarmee de bevoegdheid van de heffingsambtenaar om aanslagen voor lokale heffingen op te leggen.
De heffingsambtenaar had de waarde van de woning vastgesteld en aanslagen opgelegd voor diverse lokale belastingen. De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde. Tijdens de zitting verscheen alleen belanghebbende met zijn gemachtigde.
Het hof oordeelde dat de door belanghebbende aangevoerde bepalingen uit historische verdragen, waaronder de Wet Souvereiniteitsoverdracht Indonesië, het uniestatuut, de overgangsovereenkomst en het Rijksverzorgingsbeleid voor Ambonezen, niet van invloed zijn op de bevoegdheid van de heffingsambtenaar. Tevens is inschrijving in de BRP geen vereiste om als ingezetene te worden aangemerkt; de werkelijke woonplaats is bepalend. Het beroep faalt en het hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Er werden geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd. Tegen deze uitspraak staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad.