In deze civiele zaak heeft appellante hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van de kantonrechter, maar vervolgens geen memorie van grieven ingediend en verzocht zij om doorhaling van de procedure wegens gebrek aan belang.
Geïntimeerde maakte bezwaar tegen het verzoek tot doorhaling en stelde dat appellante geen belang meer had bij de procedure omdat zij de woning moest verlaten. Geïntimeerde eiste vergoeding van de gemaakte proceskosten.
Het hof overwoog dat beide partijen een einde wilden maken aan de procedure en dat appellante geen grieven meer wenste op te werpen. Geïntimeerde stemde in met royement onder de voorwaarde van kostenvergoeding, waar appellante geen bezwaar tegen maakte.
Het hof verklaarde appellante niet-ontvankelijk in het hoger beroep en veroordeelde haar in de kosten van het hoger beroep, bestaande uit griffierecht en salaris advocaat, en sprak het arrest uit op 23 januari 2024.