ECLI:NL:GHSHE:2024:146

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
23 januari 2024
Publicatiedatum
23 januari 2024
Zaaknummer
200.330.436_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep en kostenveroordeling bij royement procedure

In deze civiele zaak heeft appellante hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van de kantonrechter, maar vervolgens geen memorie van grieven ingediend en verzocht zij om doorhaling van de procedure wegens gebrek aan belang.

Geïntimeerde maakte bezwaar tegen het verzoek tot doorhaling en stelde dat appellante geen belang meer had bij de procedure omdat zij de woning moest verlaten. Geïntimeerde eiste vergoeding van de gemaakte proceskosten.

Het hof overwoog dat beide partijen een einde wilden maken aan de procedure en dat appellante geen grieven meer wenste op te werpen. Geïntimeerde stemde in met royement onder de voorwaarde van kostenvergoeding, waar appellante geen bezwaar tegen maakte.

Het hof verklaarde appellante niet-ontvankelijk in het hoger beroep en veroordeelde haar in de kosten van het hoger beroep, bestaande uit griffierecht en salaris advocaat, en sprak het arrest uit op 23 januari 2024.

Uitkomst: Appellante is niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep en veroordeeld tot betaling van de proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht
zaaknummer 200.330.436/01
arrest van 23 januari 2024
in de zaak van
[appellante],
wonende te [woonplaats] ,
appellante,
hierna aan te duiden als [appellante] ,
advocaat: mr. J.E.A.H. Verstraelen te Maastricht,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. B.A.L.H. Robijns te Heerlen.
op het bij exploot van dagvaarding van 19 juli 2023 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 5 juli 2023, door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen [appellante] als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, en [geïntimeerde] als eiser in conventie, verweerder in reconventie.

1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 10019944 CV EXPL 22-3375)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2.Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep;
  • het H8-formulier van [appellante] voor de rol van 17 oktober 2023;
  • het H14-formulier van [geïntimeerde] voor de rol van 31 oktober 2023.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3.De beoordeling

3.1.
[appellante] heeft bij dagvaarding [geïntimeerde] opgeroepen om te verschijnen ter openbare terechtzitting van dit hof van 8 augustus 2023, waarbij in een nog in te dienen memorie van grieven nadere gronden zullen worden aangevoerd ter onderbouwing van de eis en conclusie zoals in de appeldagvaarding vermeld.
3.2.
De zaak stond op de rol van 17 oktober 2023 voor het nemen van een memorie van grieven. Op die rol heeft [appellante] niet de memorie van grieven genomen, maar bij H8-formulier om doorhaling van de procedure verzocht. [appellante] stelt geen belang meer te hebben bij de procedure en wenst de zaak in te trekken. [geïntimeerde] heeft op de rol van 31 oktober 2023 een H14-formulier ingediend, waarin hij bezwaar maakt tegen voormeld verzoek van [appellante] . [geïntimeerde] stelt dat [appellante] bij het aanbrengen van de hoger beroepsprocedure wist dat zij de in het geding zijnde woning moest verlaten. [appellante] heeft dan ook volgens [geïntimeerde] geen belang bij het voeren van deze procedure. Aangezien [appellante] ervoor heeft gekozen wel de zaak aan te brengen, heeft [geïntimeerde] kosten moeten maken. [geïntimeerde] stemt daarom in met het royeren van de procedure onder de voorwaarde dat [appellante] de gemaakte kosten van € 515,00 aan eigen bijdrage en het griffierecht aan hem vergoedt, dan wel dat het hof [appellante] daartoe veroordeelt.
3.3.
Het hof overweegt als volgt.
3.4.
Het hof begrijpt dat beide partijen een einde willen maken aan de procedure. Het hof begrijpt uit de mededeling van [appellante] dat zij geen grieven tegen het bestreden vonnis meer wenst op te werpen. [geïntimeerde] heeft ingestemd met doorhaling van de procedure onder de voorwaarde dat gemaakte kosten in het kader van de procedure aan hem worden vergoed. [appellante] heeft daartegen geen bezwaar gemaakt.
Het hof zal in die zin beslissen. Het hof zal [appellante] niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep en haar veroordelen in de kosten.

4.De uitspraak

Het hof:
verklaart [appellante] niet-ontvankelijk in het hoger beroep;
veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van geïntimeerde tot aan deze uitspraak begroot op € 343,00 aan griffierecht en op € 515,00 aan salaris advocaat.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, E.H. Schulten en J.M.H. Schoenmakers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 23 januari 2024.
griffier rolraadsheer