Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/395618 / HA ZA 22-132)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de rolbeslissing van 9 mei 2023;
- de memorie van grieven met producties;
- de memorie van antwoord met productie;
- de akte van [appellante] ;
- de antwoordakte van [geïntimeerde] .
3.De beoordeling
op het momentdat het rechtsmiddel wordt ingesteld, daadwerkelijk in de plaats van (een deel van) de akte van levering is getreden of nog kan treden (ECLI:NL:HR:2022:1108). Verder strekt een niet-ontvankelijkheid op grond van artikel 3:301 lid 2 BW Pro zich alleen uit tot de grieven of klachten die zich richten tegen oordelen die betrekking hebben op het gedeelte van de uitspraak dat blijkens het dictum in de plaats treedt van (een deel van) de tot levering bestemde akte en de daarmee onlosmakelijk verbonden oordelen (ECLI:NL:HR:2021:647).
“om aan de inhoud daarvan te voldoen en mitsdien binnen twee dagen na heden aan mij te betalen (…)”.[appellante] heeft niet aan de inhoud voldaan ten aanzien van de medewerking aan de levering. Haar standpunt dat het bevel slechts zag op betaling van de proceskosten berust op verkeerde lezing van het bevel en bovendien staat vast dat zij niet heeft medegewerkt aan de levering. Dit betekent dat op het moment dat zij hoger beroep instelde, de bestreden uitspraak nog daadwerkelijk in de plaats van (een deel van) de akte van levering kon treden. De verder door [appellante] genoemde feiten en omstandigheden zien op latere tijdstippen en niet op het moment van het instellen van het rechtsmiddel. Dit betekent dat niet-ontvankelijkheid aan de orde is en het hof hierna zal beoordelen wat de reikwijdte is van de grieven en klachten van [appellante] .
€ 178,00(plus de verhoging zoals in de beslissing vermeld)