Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[appellant 1] ,
[appellant 2],
[appellant 3] Beheer B.V.,
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- [appellant 1] en [appellant 2] , bijgestaan door mr. Van Boekel en
- [verweerder] , bijgestaan door mr. Wubbena.
3.De beoordeling
“Huurovereenkomst kantoorruimte en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:230a BW”is vermeld, een van de mee te wegen omstandigheden is, maar dat het -zelfstandig bezien- niet doorslaggevend is. Daarnaast is een mee te wegen omstandigheid het feitelijk gebruik.
aangenomendat de term ‘verkoop’ groothandel zou betreffen maakt dit niet anders. Dat de term ‘reparatie’ alleen zou zien op het opknappen van opgeslagen goederen om deze te kunnen verkopen is, gelet op de betwisting door [verweerder] , zonder nadere onderbouwing niet aannemelijk gemaakt door [appellant 1] c.s.
[website]–, die melding maakt van het adres van het gehuurde en de openingstijden (op afspraak). Op de website is onder meer te lezen dat men bij antiquair en restaurateur [verweerder] antieke en oude voorwerpen kan kopen, dat [verweerder] oude of antieke voorwerpen restaureert en dat [verweerder] taxeert. Op de website is ook de collectie te zien, zoals kasten, schilderijen en zilver.
‘opslag, verkoop en reparatieruimte’is geweest en dat [verweerder] in het gehuurde zijn antiekwerkzaamheden heeft voortgezet, is naar het oordeel van het hof hiermee voldoende aannemelijk gemaakt door [verweerder] . Het hof acht daarbij van belang dat niet is gebleken dat de staat en inrichting van de onroerende zaak niet altijd zo zou zijn geweest en dat ook niet aan het hof is gebleken dat [appellant 1] c.s. eerder gedurende de looptijd van de huurovereenkomst bezwaar hebben gemaakt tegen het gebruik op deze wijze door [verweerder] . [appellant 1] c.s. stellen weliswaar dat het bij [verweerder] slechts om hobbymatige activiteiten gaat gezien de door [verweerder] overgelegde cijfers en dat van een verhuurder niet kan worden verwacht dat daartegen op wordt gekomen. Dat het slechts om hobbymatige activiteiten zou gaan, is het hof echter niet gebleken. Het hof verwijst ook naar rov. 3.10.1. hierna.
“vak waarbij je iets met de hand maakt”. Dat het om volledige broodwinning moet gaan, vindt het hof geen voorwaarde voordat gesproken kan worden van ambacht. Dat enkel sprake is van een hobby, acht het hof zoals eerder overwogen niet aannemelijk gezien hetgeen [verweerder] ten grondslag heeft gelegd aan zijn stellingen, waaronder de toelating van de onderneming van [verweerder] als erkend leerbedrijf voor een mbo-opleiding tot meubelmaker.