Belanghebbende startte in 2009 een adviesbureau en wijzigde medio 2016 zijn activiteiten naar de verkoop van gezondheidsproducten en begeleiding van partners. De inspecteur stelde aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2016-2018 vast, waarbij verliezen niet werden erkend wegens het ontbreken van een bron van inkomen. Belanghebbende maakte bezwaar en stelde beroep in, maar de rechtbank verklaarde deze ongegrond en kende een vergoeding voor immateriële schade toe.
In hoger beroep stond centraal of sprake was van een objectieve voordeelsverwachting, een vereiste voor het aannemen van een bron van inkomen, en of het vertrouwensbeginsel was geschonden. Het hof verwierp het aanbod van belanghebbende om geluidsopnamen te overleggen wegens ongedefinieerdheid. Het hof oordeelde dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij redelijkerwijs voordeel kon verwachten, mede gelet op de negatieve resultaten en dalende omzet.
Het hof stelde dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt omdat de inspecteur geen toezeggingen deed waaruit redelijkerwijs vertrouwen kon worden ontleend. De ontvangstbevestiging van het bezwaar en de OndernemersCheck boden geen rechtsbescherming. Het hof verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank, zonder proceskostenveroordeling.