De voetbalvereniging DESO vordert in een incident dat de erfgenamen van haar voormalige penningmeester, die in 2020 is overleden, op haar kosten afschriften verstrekken van alle administratieve bescheiden die betrekking hebben op DESO en die zij onder zich hebben. Deze vordering volgt op eerdere procedures waarin DESO stelde dat de penningmeester onrechtmatig gelden van de vereniging naar zichzelf heeft overgemaakt.
Het hof overweegt dat DESO een rechtmatig belang heeft bij inzage in de gevraagde administratie, omdat zij alleen over bankafschriften beschikt en niet over de onderliggende stukken die nodig zijn ter onderbouwing van haar vorderingen. De erfgenamen betwisten niet dat zij de gevraagde bescheiden bezitten, maar voeren aan dat DESO reeds in 2018 een soortgelijke vordering heeft ingesteld, die toen is toegewezen.
Het hof oordeelt dat het civiele procesrecht niet verbiedt om in verschillende procedures dezelfde vorderingen in te dienen en dat de huidige vordering niet geheel gelijk is aan de eerdere. De cumulatieve voorwaarden van artikel 843a Rv zijn volgens het hof vervuld, zodat de vordering toewijsbaar is. Het hof wijst de vordering toe en veroordeelt de erfgenamen om op kosten van DESO de gevraagde afschriften te verstrekken. De beslissing over de proceskosten wordt aangehouden tot de einduitspraak in de hoofdzaak.