In deze civiele procedure heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen een tussenvonnis van de rechtbank Limburg waarin de zaak werd verwezen naar de pachtkamer. Het hof overweegt dat tegen een dergelijke verwijzing geen hoger beroep openstaat, tenzij gelijktijdig met het eindvonnis. Appellant kon geen nieuwe gronden aanvoeren die dit oordeel zouden veranderen, waardoor het hoger beroep niet-ontvankelijk werd verklaard.
Geïntimeerde stelde dat appellant misbruik van procesrecht maakte door meerdere kansloze procedures te voeren, en verzocht om een integrale proceskostenveroordeling. Het hof oordeelde dat onvoldoende was aangetoond dat sprake was van misbruik of onrechtmatig handelen en begroette het salaris van de advocaat op 1 punt. Appellant werd veroordeeld in de proceskosten en de wettelijke rente bij niet-tijdige betaling.
Daarnaast wees het hof het verweer van appellant af dat geen griffierecht verschuldigd zou zijn omdat de zaak niet inhoudelijk werd behandeld. De zaak was immers niet ingetrokken. Het arrest werd in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2024.