Belanghebbende, woonachtig in Duitsland sinds 2012, ontving in 2017 een AOW-uitkering en diverse pensioenuitkeringen. Hij deed bij zijn aangifte IB/PVV 2017 een beroep op de overgangsregeling uit het Belastingverdrag Nederland-Duitsland 2012 voor een vermindering van belasting over zijn pensioenuitkeringen. De inspecteur legde een aanslag op conform deze aangifte, met een vermindering op grond van de overgangsregeling.
Na bezwaar en een verzoek om ambtshalve vermindering werd een verminderingsbeschikking afgegeven, maar belanghebbende bleef bezwaar maken en startte een beroepsprocedure. Het geschil betrof de juiste toepassing van de overgangsregeling, mogelijke dubbele belastingheffing, het discriminatieverbod en de vraag of het nieuwe verdrag tot een onrechtmatige lastenverzwaring leidt.
Het hof oordeelde dat de overgangsregeling niet van toepassing is op de AOW-uitkering omdat deze ook onder het oude belastingverdrag in Nederland belastbaar was. De stelling van dubbele belastingheffing werd verworpen omdat belanghebbende niet had aangetoond dat Duitsland geen voorkoming verleent. Ook werd geoordeeld dat de grens van € 15.000 in het verdrag geen verboden discriminatie inhoudt en dat een opvolgend verdrag een ongunstigere rechtspositie kan creëren.
Het hof verklaarde het hoger beroep ongegrond, bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees erop dat de aanslag na de verminderingsbeschikking eerder te laag dan te hoog was vastgesteld. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en het griffierecht blijft voor rekening van belanghebbende.