Belanghebbende heeft een motorrijtuig gekocht en BPM aangifte gedaan met een taxatierapport waarin waardevermindering door schade is opgenomen. De inspecteur legde een naheffingsaanslag BPM op, waarbij slechts een deel van de schade in aanmerking werd genomen. Belanghebbende maakte bezwaar en stelde beroep in bij de rechtbank, dat ongegrond werd verklaard. In hoger beroep betwist belanghebbende dat de bewijslast correct is verdeeld en dat de schade volledig is meegenomen.
Het hof stelt dat de bewijslast voor waardevermindering door schade bij belanghebbende ligt, vooral omdat de auto niet is getoond aan de Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Hierdoor moet de waardevermindering worden vastgesteld aan de hand van het taxatierapport en de bijgevoegde foto’s, waarbij onduidelijkheden voor rekening van belanghebbende komen. Het hof oordeelt dat de gepresenteerde schade normale gebruiksschade is, passend bij leeftijd en kilometrage van de auto, en dat belanghebbende geen aannemelijk bewijs heeft geleverd voor een hogere waardevermindering of schadeverleden.
Daarnaast oordeelt het hof dat de proceskostenvergoeding door de rechtbank niet te laag is vastgesteld, ondanks een verwijzing van belanghebbende naar een arrest van de Hoge Raad. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Het griffierecht wordt niet vergoed en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.