ECLI:NL:GHSHE:2024:2799

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
3 september 2024
Publicatiedatum
3 september 2024
Zaaknummer
200.324.826_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 305 lid 2 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot ontbinding huurovereenkomst wegens huurschuld voor WSNP-toelating

Stichting Leystromen vorderde ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde van een onderbewindgestelde die een huurschuld had opgebouwd. De kantonrechter veroordeelde de huurder tot betaling van de achterstallige huur, maar wees de ontbindings- en ontruimingsvordering af. In hoger beroep stond centraal of de huurschuld die was ontstaan vóór de toelating tot de Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP) ontbinding rechtvaardigt.

Het hof oordeelde dat op grond van artikel 305 lid 2 Faillissementswet Pro een tekortkoming in de huurbetaling die plaatsvond vóór de toelating tot de schuldsaneringsregeling geen grond oplevert voor ontbinding van de huurovereenkomst. De huurschuld was ontstaan tussen mei en augustus 2022, terwijl de toelating tot de WSNP pas in december 2023 plaatsvond. De vordering tot ontbinding en ontruiming werd daarom afgewezen.

Leystromen had aangevoerd dat de WSNP-bewindvoerder een verzoek tot beëindiging van de regeling had ingediend, maar dit werd door de beschermingsbewindvoerder weersproken. Ook andere vermeende tekortkomingen zoals overlast en verwaarlozing van de tuin werden niet als zelfstandige grond voor ontbinding onderbouwd. Het hof bevestigde het vonnis van de kantonrechter en bepaalde dat partijen hun eigen proceskosten dragen.

Uitkomst: De vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming wordt afgewezen omdat de huurschuld is ontstaan vóór de toelating tot de schuldsaneringsregeling.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.324.826/01
arrest van 3 september 2024
in de zaak van
Stichting Leystromen,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellante,
bij de kantonrechter: eiseres,
hierna aan te duiden als: Leystromen,
advocaat: mr. P.E.A.M. Gerritse te Tilburg,
tegen
Best Bewindvoering B.V., in haar hoedanigheid van bewindvoerder over het vermogen van
[de onderbewindgestelde], wonende te [postcode] [woonplaats] aan het [adres],
gevestigd te [vestigingsplaats] op een afgeschermd adres,
geïntimeerde,
bij de kantonrechter: gedaagde,
hierna aan te duiden als: de beschermingsbewindvoerder en [de onderbewindgestelde],
advocaat: mr. T. Möller.

5.Het verdere verloop van de procedure

5.1.
Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 5 maart 2024, waarbij een mondelinge behandeling is bevolen met als doel Leystromen in de gelegenheid te stellen de (beschermings)bewindvoerder op te roepen, informatie te verkrijgen en een schikking te beproeven, hier over. Bij H16 formulier van 30 april 2024 van de beschermingsbewindvoerder heeft het hof het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 21 december 2023 over de toelating van [de onderbewindgestelde] tot de schuldsaneringsregeling in de zin van de Wet schuldsanering natuurlijk personen (WSNP) (hierna: de schuldsaneringsregeling) ontvangen. Met het H16 formulier van 7 mei 2024 heeft Leystromen het exploot van oproeping van de beschermingsbewindvoerder en de WSNP-bewindvoerder aan het hof toegestuurd.
5.2.
Op 14 mei 2024 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt. Mr. Gerritse heeft spreekaantekeningen overgelegd. De voorafgaand aan de mondelinge behandeling toegezonden stukken en de spreekaantekeningen van Leystromen maken deel uit van het procesdossier. Namens Leystromen zijn [persoon A] (medewerker huurincasso) en [persoon B] (gerechtsdeurwaarder en gemachtigde eerste aanleg) verschenen en namens de beschermingsbewindvoerder is [persoon C] verschenen.
5.3.
Beide partijen hebben zich na de mondelinge behandeling bij akte uitgelaten over de toepassing van artikel 305 lid 2 Faillissementswet Pro (hierna: Fw) in deze zaak. Vervolgens heeft Leystromen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

6.De beoordeling

6.1.
Tussen partijen staat vast dat [de onderbewindgestelde] tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de huurovereenkomst door drie maanden geen huur te betalen. De kantonrechter heeft [de onderbewindgestelde] veroordeeld tot betaling van de huurachterstand, vermeerderd met wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten. Tegen dat oordeel heeft de beschermingsbewindvoerder niet gegriefd. In hoger beroep gaat het daarom enkel over de vorderingen van Leystromen tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde. Partijen twisten over de vraag of het tekortschieten van [de onderbewindgestelde] de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde rechtvaardigt. Het hof zal eerst ingaan op de vraag of Leystromen ontvankelijk is in hoger beroep. Daarna zal het hof de vraag beantwoorden of de toelating van [de onderbewindgestelde] tot de schuldsaneringsregeling gevolgen heeft voor de ontbindings- en ontruimingsvordering van Leystromen.
Leystromen is ontvankelijk in hoger beroep.6.2. Zoals in het tussenarrest van 5 maart 2024 is overwogen, dient de verhuurder, die ontbinding van de huurovereenkomst en of ontruiming van het gehuurde vordert, de vordering aanhangig te maken tegen de bewindvoerder in het geval de huurder onder bewind is gesteld (HR 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:525). Leystromen is in het tussenarrest in de gelegenheid gesteld om de beschermingsbewindvoerder als formule procespartij op te roepen om in de procedure te verschijnen. De beschermingsbewindvoerder is door Leystromen deugdelijk bij exploot opgeroepen en is op de mondelinge behandeling verschenen. De beschermingsbewindvoerder treedt namens [de onderbewindgestelde] als formele procespartij op in deze procedure. Leystromen is gelet op het voorgaande ontvankelijk in hoger beroep.
Toetsingskader6.3. Artikel 305 lid 2 Fw Pro bepaalt dat een tekortkoming door de schuldenaar in de nakoming van een financiële verplichting, voortvloeiende uit de huurovereenkomst met betrekking tot woonruimte, welke tekortkoming plaatsvond vóór de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling geen grond oplevert voor opzegging of ontbinding van de huurovereenkomst. In de tweede zin van dit artikel staat dat indien een vonnis tot ontruiming van de woonruimte wegens een dergelijke tekortkoming is uitgesproken vóór de uitspraak tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, de tenuitvoerlegging van het vonnis wordt opgeschort voor de duur van de schuldsaneringsregeling, mits de lopende huurpenningen tijdig worden voldaan. De huurovereenkomst wordt in dat geval voor de duur van de schuldsaneringsregeling verlengd.
Huurschuld geen grond voor ontbinding huurovereenkomst.6.4. Het hof overweegt als volgt. Vaststaat dat sprake is van een tekortkoming door [de onderbewindgestelde] in het nakomen van een financiële verplichting uit hoofde van de huurovereenkomst met betrekking tot woonruimte, namelijk het niet betalen van de drie huurtermijnen. Deze tekortkoming vond plaats in de periode mei 2022 tot en met augustus 2022, dus voor de toelating van [de onderbewindgestelde] tot de schuldsaneringsregeling op
21 december 2023. Op grond van artikel 305 lid 2 Fw Pro levert de huurschuld die is ontstaan vóór de toepassing van de schuldsaneringsregeling dan ook geen grond op voor ontbinding van de huurovereenkomst en als gevolg daarvan ook geen grond voor de gevorderde ontruiming. Leystromen heeft weliswaar verwezen naar een uitspraak van het hof Amsterdam van 1 november 2016 (ECLI:NL:GHAMS:2016:4304), maar anders dan in de onderhavige zaak, was de ontbinding en ontruiming in die zaak al uitgesproken door de kantonrechter. De grond voor ontbinding van de huurovereenkomst ontbreekt in de onderhavige zaak. Leystromen heeft nog aangevoerd dat de WSNP-bewindvoerder een verzoek tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling heeft ingediend, maar de beschermingsbewindvoerder heeft dat weersproken, zodat dat niet is vast komen te staan.
6.5.
Nu Leystromen geen andere gronden voor ontbinding van de huurovereenkomst heeft aangevoerd, dient het hof haar vorderingen tot ontbinding en ontruiming af te wijzen. Het hof ziet om die reden geen aanleiding om in te gaan op de toepassing van de vroegsignalering van de huurschuld bij de gemeente en de mogelijke rechtsgevolgen als daar geen gevolg aan wordt gegeven. Omdat uit dit arrest blijkt dat Leystromen geen veroordelende uitspraak tegen de beschermingsbewindvoerder verkrijgt, is de vraag of artikel 28 lid 4 Fw Pro van toepassing is niet langer relevant. Leystromen heeft nog wel betoogd dat [de onderbewindgestelde] overlast in de buurt heeft veroorzaakt en haar tuin heeft verwaarloosd (memorie van grieven onder 37), maar heeft dit niet als een zelfstandige tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst aan de vorderingen ten grondslag gelegd en van een deugdelijke onderbouwing voorzien.
Conclusie
6.6.
Het hoger beroep slaagt niet. Vanwege de omstandigheid dat [de onderbewindgestelde] is toegelaten tot de schuldsaneringsregeling nadat [de onderbewindgestelde] in hoger beroep was gedagvaard en Leystromen de memorie van grieven al had ingediend, ziet het hof aanleiding om elke partij zijn eigen kosten te laten dragen (compensatie van proceskosten).

7.De uitspraak

Het hof, recht doende in hoger beroep:
7.1.
bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Tilburg, van 7 december 2022 voor zover dat aan het oordeel van het hof is onderworpen;
7.2.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
7.3.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.A. van der Pol, O.G.H. Milar en J.N. de Blécourt en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 3 september 2024.
griffier rolraadsheer