AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Appellante niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep tegen tussenvonnis inzake inzage stukken
In deze civiele procedure ging het hoger beroep van appellante tegen een tussenvonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, waarin haar was bevolen stukken te verstrekken aan geïntimeerde op grond van artikel 843a Rv. De rechtbank had de vordering van geïntimeerde grotendeels toegewezen omdat appellante de gronden niet had weersproken.
Appellante stelde zich in het hoger beroep niet-ontvankelijk, verwijzend naar artikel 337 RvPro dat hoger beroep tegen tussenvonnissen slechts openstaat tegelijk met dat van het eindvonnis, tenzij anders bepaald. Het hof oordeelde dat het tussenvonnis niet kwalificeerde als deelvonnis en dat geen verlof was verleend voor tussentijds hoger beroep.
Daarom werd appellante niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep. Tevens werd zij veroordeeld in de proceskosten van het incident, begroot op € 1.563,-. Het hof ging niet in op de inhoudelijke grieven en het incident in de memorie van grieven. Het arrest werd uitgesproken op 3 september 2024 door het hof 's-Hertogenbosch.
Uitkomst: Appellante is niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen het tussenvonnis en veroordeeld in de proceskosten.
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.339.019/01
arrest van 3 september 2024
in de zaak van
[X advies B.V.],
gevestigd te [woonplaats] ,
appellante,
hierna aan te duiden als [appellante] ,
advocaat: mr. J.W. Damstra te Apeldoorn,
tegen
[geïntimeerde],
handelende onder de naam [X] Advies en Bewindvoering WSNP,
in hoedanigheid van bewindvoerder in de wettelijke schuldsaneringsregeling van de
in [woonplaats] wonende [persoon A] ,
kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. J. van Andel te Driebergen-Rijsenburg,
op het bij exploot van dagvaarding van 21 februari 2024 ingeleide hoger beroep van het vonnis in incident van 31 januari 2024, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen tussen [appellante] als gedaagde en [geïntimeerde] als eiseres.
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/399077 / HA ZA 23-763)
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.
2.Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep;
de memorie van grieven tevens inhoudende incident ex artikel 611d Rv, met producties;
de memorie van antwoord, ook in het incident, van [appellante] .
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
3.De beoordeling
3.1.
Bij het in dit hoger beroep bestreden vonnis heeft de rechtbank de vordering van [geïntimeerde] in het incident, ertoe strekkende om [appellante] op de voet van artikel 843a Rv te gebieden aan [geïntimeerde] afschriften van stukken te verstrekken, grotendeels toegewezen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat [appellante] de (gronden van de) vordering niet had weersproken.
Bij het vervolgens op 10 april 2014 tussen partijen gewezen vonnis heeft de rechtbank de vordering van [appellante] in het incident, ertoe strekkende om [geïntimeerde] niet-ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen in de hoofdzaak, afgewezen, en is de hoofdzaak naar de rol verwezen voor beraad.
3.2.
Artikel 337 RvPro bepaalt dat van tussenvonnissen, behoudens van vonnissen waarbij een voorlopige voorziening wordt getroffen of geweigerd (waarvan in het onderhavige geval geen sprake is), hoger beroep slechts openstaat tegelijk met dat van het eindvonnis, tenzij de rechter anders heeft bepaald. In het vonnis van 31 januari 2024 is ten aanzien van geen van de vorderingen van [geïntimeerde] in de hoofdzaak door een uitdrukkelijk dictum omtrent enig deel van het gevorderde een einde is gemaakt, zodat dat vonnis niet is aan te merken als een deelvonnis. In het vonnis is niet bepaald dat tussentijds hoger beroep van het vonnis openstaat. Ook heeft de rechtbank niet na het tussenvonnis alsnog verlof heeft verleend voor het tussentijds instellen van hoger beroep. De conclusie is dan ook dat [appellante] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het hoger beroep.
Op de grieven die zijn gericht tegen het bestreden vonnis behoeft niet te worden ingegaan. Hetzelfde geldt voor het in de memorie van grieven door [appellante] opgeworpen incident.
3.3.
Als de in het ongelijk gestelde partij zal [appellante] in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.
4.De uitspraak
Het hof:
verklaart [appellante] niet-ontvankelijk in het hoger beroep;
veroordeelt [appellante] in de proceskosten van het incident, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 349,- aan griffierrecht en op € 1.214,- aan salaris advocaat;
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. E.H. Schulten, J.M.H. Schoenmakers en P.P.M. Rousseau en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 3 september 2024.