Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2024:2805

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
3 september 2024
Publicatiedatum
3 september 2024
Zaaknummer
200.341.844_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 339 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens te late appeldagvaarding in kort geding

In deze civiele zaak heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch het hoger beroep van BEBU Bewindvoering B.V. beoordeeld tegen een vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg in kort geding. De kern van het geschil betrof de ontvankelijkheid van het hoger beroep, waarbij het hof constateerde dat de appeldagvaarding niet binnen de wettelijke termijn van vier weken na het vonnis was uitgebracht.

De rolraadsheer stelde in een rolbeslissing vast dat de dagvaarding in hoger beroep te laat was uitgebracht, namelijk op de 29e dag na het vonnis, terwijl de termijn strikt vier weken bedraagt. Appellante trok vervolgens het hoger beroep in, maar het hof oordeelde dat dit niet tot een andere uitkomst leidt. Er waren geen feiten of omstandigheden die een uitzondering op de strikte appeltermijn rechtvaardigen.

Het hof verklaarde appellante daarom niet-ontvankelijk in het hoger beroep en veroordeelde haar in de proceskosten, die werden begroot op € 956,-. Het arrest werd uitgesproken door de rolraadsheer namens het hof op 3 september 2024.

Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late appeldagvaarding.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht
zaaknummer 200.341.844/01
arrest van 3 september 2024
in de zaak van
BEBU Bewindvoering B.V.in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen en gelden van
[appellante],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellante,
advocaat: mr. L.N. Hermans te Kerkrade,
tegen

1.[geïntimeerde sub 1] ,wonende te [woonplaats] ,

2.
[geïntimeerde sub 2] ,wonende te [woonplaats] ,
3.
[geïntimeerde sub 3] ,wonende te [woonplaats] ,
4.
[geïntimeerde sub 4] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerden,
advocaat: mr. C.L.C. O'Connor te Nijmegen,
op het bij exploot van dagvaarding van 24 mei 2024 ingeleide hoger beroep van het vonnis in kort geding van 25 april 2024, door de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen appellante als gedaagde en geïntimeerden als eisers.

1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 11010400 / CV EXPL 24-1599)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2.Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep met grieven en producties;
  • de rolbeslissing van 11 juni 2024;
  • de akte van appellant van 9 juli 2024;
  • de akte ontvankelijkheid in hoger beroep van geïntimeerden van 23 juli 2024.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

3.De beoordeling

3.1.
In de rolbeslissing van 11 juni 2024 heeft de rolraadsheer geconstateerd dat het exploot van dagvaarding niet is uitgebracht binnen de in artikel 339 lid 2 Rv Pro voor korte gedingen voorgeschreven termijn van vier weken.
Appellante is vervolgens in de gelegenheid gesteld om zich bij akte uit te laten over de ontvankelijkheid in hoger beroep waarna geïntimeerden in de gelegenheid zijn gesteld om hierop bij antwoordakte te reageren.
3.2.
In de akte van appellante wordt enkel vermeld dat appellante de appelprocedure intrekt gezien de voor appellante negatieve uitspraak in de voorlopige voorziening betreffende de executie van het vonnis in eerste aanleg.
3.3.
Geïntimeerden refereren zich aan het oordeel van het hof.
3.4.
Op grond van artikel 339 lid 2 Rv Pro bedraagt de termijn waarbinnen hoger beroep van een kort geding vonnis kan worden ingesteld vier weken, te rekenen vanaf de dag van het vonnis dan wel de dag van de mondelinge uitspraak.
In de onderhavige zaak dateert het vonnis waarvan beroep van donderdag 25 april 2024. De termijn van vier weken begint derhalve op vrijdag 26 april 2024 (als eerste dag) en eindigt aan het eind van de dag op donderdag 23 mei 2024 (als achtentwintigste dag). Aangezien de appeldagvaarding is uitgebracht op vrijdag 24 mei 2024, is de appeldagvaarding te laat uitgebracht en is het hoger beroep niet-ontvankelijk.
In de onderhavige zaak zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die rechtvaardigen dat een uitzondering wordt gemaakt op de strikt te handhaven appeltermijn van artikel 339 lid 2 Rv Pro.
3.5.
De conclusie is dat appellante niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het hoger beroep. Het hof komt niet toe aan de intrekking van het hoger beroep.
Als de in het ongelijk gestelde partij zal appellante worden veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep.

4.De uitspraak

Het hof:
verklaart appellante niet ontvankelijk in het hoger beroep;
veroordeelt appellante in de proceskosten van het hoger beroep en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van geïntimeerden op € 349,- aan griffierecht en op € 607,- aan salaris advocaat (½ punt liquidatietarief II).
Dit arrest is gewezen door mrs. P.P.M. Rousseau, E.H. Schulten en J.M.H. Schoenmakers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 3 september 2024.
griffier rolraadsheer