Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2024:2918

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
17 september 2024
Publicatiedatum
17 september 2024
Zaaknummer
200.341.229_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 127a RvArt. 3 lid 3 Wet griffierechten burgerlijke zakenArt. 2.5 Landelijk procesreglement civiele dagvaardingszakenArt. 353 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag van instantie wegens te late betaling griffierecht ondanks beroep op hardheidsclausule

Appellanten hebben hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van de kantonrechter, maar betaalden het griffierecht niet tijdig. Hoewel zij stelden dat de betaling vertraagd was door tegengestelde belangen tussen hen en dat dit niet tot schade voor geïntimeerden leidde, oordeelde het hof dat dit geen grond was om af te zien van ontslag van instantie.

De advocaat van appellanten heeft zich tijdens de procedure onttrokken, en er werd geen nieuwe procesvertegenwoordiger gesteld. Geïntimeerden wensten geen incidenteel appel en verzochten om ontslag van instantie met hoofdelijke veroordeling van appellanten in de proceskosten.

Het hof stelde vast dat het griffierecht uiterlijk op 2 juli 2024 voldaan had moeten zijn, maar pas op 22 juli 2024 is betaald, wat te laat was. De hardheidsclausule van artikel 127a lid 3 Rv werd niet toegepast omdat appellanten onvoldoende onderbouwing boden en zij op de hoogte hadden moeten zijn van de betalingstermijn.

Daarom sprak het hof ontslag van instantie uit en veroordeelde appellanten hoofdelijk in de proceskosten van het hoger beroep.

Uitkomst: Het hof sprak ontslag van instantie uit wegens te late betaling van het griffierecht en veroordeelde appellanten hoofdelijk in de proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht
zaaknummer 200.341.229/01
arrest van 17 september 2024
in de zaak van
[appellant sub 1] ,voormalig vennoot van de inmiddels opgeheven
[X Bouwservice V.O.F.] ,wonende te [woonplaats] ,
[appellant sub 2] ,voormalig vennoot van de inmiddels opgeheven
[X Bouwservice V.O.F.] ,wonende te [woonplaats] ,
appellanten,
hierna aan te duiden als appellanten,
advocaat: mr. J.P. van Mulken te Nuth, gemeente Beekdaelen, (onttrokken)
tegen

1.[geïntimeerde sub 1] ,wonende te [woonplaats] ,

2.
[geïntimeerde sub 2] ,wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerden,
hierna aan te duiden als geïntimeerden,
advocaat: mr. K. Zeylmaker te Leusden,
op het bij exploot van dagvaarding van 29 april 2024 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 31 januari 2024, door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen tussen appellanten als gedaagden en geïntimeerden als eisers.

1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 10808309 CV EXPL 23-5798)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2.Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de appeldagvaarding met één productie;
  • de akte van de zijde van appellanten op de rol van 23 juli 2024;
  • de akte van de zijde van geïntimeerden op de rol van 23 juli 2024.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken.

3.De beoordeling

3.1.
Appellanten hebben bij voormeld exploot geïntimeerden gedagvaard te verschijnen op de zitting van dit hof van 21 mei 2024. De zaak is ook op de rol van die datum ingeschreven. Op de rol van 2 juli 2024 is geconstateerd dat appellanten het griffierecht nog niet hadden voldaan en is de zaak voor ‘Afwachten griffierecht appellant’ gezet. Op de rol van 9 juli 2024 is geconstateerd dat appellanten het griffierecht niet tijdig hadden voldaan. De zaak is vervolgens conform de bepalingen van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven (LPR) verwezen naar de rol van 23 juli 2024 voor akte partijen. Appellanten konden zich uitlaten over toepassing van artikel 127a lid 3 Rv en geïntimeerden konden zich uitlaten over een voorgenomen incidenteel appel. Op die rol hebben beide partijen een akte genomen.
3.2.
Appellanten hebben in dat kader aangevoerd dat het griffierecht is voldaan. De betaling van het griffierecht heeft op zich laten wachten, omdat er een tegengesteld belang is ontstaan tussen appellanten. De belangen van geïntimeerden zijn hierdoor niet geschaad. Gelet daarop zou het ontslaan van instantie leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. De advocaat van appellanten heeft zich vervolgens onttrokken.
3.3.
Geïntimeerden hebben het hof bij akte bericht dat zij geen incidenteel appel wensen in te stellen en het hof verzocht om hen ontslag van instantie te verlenen, met hoofdelijke veroordeling van appellanten in de proceskosten.
3.4.
De zaak is vervolgens op de rol van 6 augustus 2024 komen te staan voor stellen procesvertegenwoordiger appellant en akte appellanten met betrekking tot artikel 127a lid 3 Rv, ambtshalve peremptoir. Er heeft zich op de rol van 6 augustus 2024 geen procesvertegenwoordiger voor appellanten gesteld. De zaak is daarna voor arrest gezet.
3.5.
Het hof oordeelt als volgt.
3.6.
Op grond van het bepaalde in artikel 3 lid 3 Wet Pro griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz) dienden appellanten het griffierecht binnen vier weken na de eerste roldatum
– 21 mei 2024 – te voldoen, dus uiterlijk op 18 juni 2024. Op grond van artikel 2.5 van het LPR is die betalingstermijn met twee weken verlengd. Dat betekent dat het griffierecht van appellanten uiterlijk op 2 juli 2024 had moeten zijn voldaan.
3.7.
De zaak heeft ter controle van betaling van het griffierecht op de rol gestaan van 9 juli 2024. Op die datum bleek dat appellanten nog niet hadden betaald. Nadien is uit opgave van de financiële administratie gebleken dat appellanten het griffierecht in deze zaak op 22 juli 2024 hebben betaald. Dat is te laat.
3.8.
Op grond van het bepaalde in artikel 3 lid 3 Wgbz Pro en artikel 353 juncto Pro artikel 127a lid 2 Rv dient de rechter in beginsel ontslag van instantie uit te spreken indien de appellanten het door hen verschuldigde griffierecht niet of niet tijdig hebben voldaan. Alleen in de bij wet voorziene situatie dat toepassing van de sanctie, gelet op het belang van één of meer van de partijen bij toegang tot de rechter, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard, mag de rechter afzien van het toepassen van de sanctie van ontslag van instantie (artikel 127a lid 3 Rv).
3.9.
Appellanten hebben gesteld dat toepassing van artikel 127a lid 2 Rv leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard en doen een beroep op de hardheidsclausule van artikel 127a lid 3 Rv. Volgens het hof staat vast dat appellanten het griffierecht te laat hebben betaald en dat de oorzaak van de te late betaling is gelegen in een omstandigheid gelegen aan de zijde van appellanten. De enkele stelling dat aan de zijde van appellanten sprake is van een tegengesteld belang en dat daardoor te laat is betaald, kan – zonder nadere onderbouwing welke ontbreekt – niet leiden tot toepassing van de hardheidsclausule. Daarbij speelt mee dat appellanten op dat moment nog werden bijgestaan door een advocaat. Van appellanten kon daarom worden verwacht dat zij ervan op de hoogte waren dat en binnen welke termijn griffierecht moest worden betaald en ook wat de gevolgen zouden zijn van een niet-tijdige betaling. Het beroep op de hardheidsclausule van artikel 127a lid 3 Rv slaagt dan ook niet. Ook ambtshalve is het hof niet gebleken van feiten of omstandigheden die toepassing van de hardheidsclausule van artikel 127a lid 3 Rv zouden rechtvaardigen.
3.10.
Het voorgaande leidt ertoe dat geïntimeerden, nu zij geen incidenteel appel wensen in te stellen en hebben verzocht om hen ontslag van instantie te verlenen, overeenkomstig het bepaalde in artikel 127a lid 2 Rv van deze instantie zullen worden ontslagen. Als de in het ongelijk gestelde partij zullen appellanten worden veroordeeld in de proceskosten.

4.De uitspraak

Het hof:
ontslaat geïntimeerden van deze instantie;
veroordeelt appellanten hoofdelijk in de proceskosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van geïntimeerden begroot op € 349,00 aan griffierecht en op € 607,00 (0,5 punt x tarief II) aan salaris advocaat.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, E.H. Schulten en J.M.H. Schoenmakers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op
17 september 2024.
griffier rolraadsheer