Appellanten hebben hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van de kantonrechter, maar betaalden het griffierecht niet tijdig. Hoewel zij stelden dat de betaling vertraagd was door tegengestelde belangen tussen hen en dat dit niet tot schade voor geïntimeerden leidde, oordeelde het hof dat dit geen grond was om af te zien van ontslag van instantie.
De advocaat van appellanten heeft zich tijdens de procedure onttrokken, en er werd geen nieuwe procesvertegenwoordiger gesteld. Geïntimeerden wensten geen incidenteel appel en verzochten om ontslag van instantie met hoofdelijke veroordeling van appellanten in de proceskosten.
Het hof stelde vast dat het griffierecht uiterlijk op 2 juli 2024 voldaan had moeten zijn, maar pas op 22 juli 2024 is betaald, wat te laat was. De hardheidsclausule van artikel 127a lid 3 Rv werd niet toegepast omdat appellanten onvoldoende onderbouwing boden en zij op de hoogte hadden moeten zijn van de betalingstermijn.
Daarom sprak het hof ontslag van instantie uit en veroordeelde appellanten hoofdelijk in de proceskosten van het hoger beroep.