Belanghebbende, eigenaar van een woning in een Nederlandse gemeente en tevens eigenaar van een woning in België, maakte bezwaar tegen de aanslag forensenbelasting 2021 en de WOZ-waarde van zijn woning. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. Belanghebbende stelde hoger beroep in bij het hof.
Tijdens de procedure gaf belanghebbende aan niet langer tegen de WOZ-waarde per 1 januari 2020 op te komen, maar wel tegen de waarde per 1 januari 2019. Het hof verklaarde dit deel van het hoger beroep niet-ontvankelijk omdat deze waarde buiten de procedure viel. Het geschil betrof vooral de vraag of belanghebbende in 2021 zijn hoofdverblijf had in de Nederlandse woning of in België.
Het hof overwoog dat de heffingsambtenaar aannemelijk moest maken dat aan de voorwaarden voor de forensenbelasting was voldaan, maar dat belanghebbende het meest gerede was om aannemelijk te maken waar zijn hoofdverblijf was. Uit feiten en omstandigheden, waaronder inschrijving in het bevolkingsregister, huisartskeuze, postadres en gebruik van de woning, bleek dat belanghebbende zijn hoofdverblijf in België had. De beleving van belanghebbende dat zijn persoonlijke activiteiten in Nederland waren, deed hieraan niet af.
Het hof bevestigde dat de aanslag forensenbelasting terecht was opgelegd en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Tevens oordeelde het hof dat er geen reden was om het griffierecht te vergoeden of proceskosten toe te wijzen.