In deze strafzaak stond het rijden zonder geldig rijbewijs op 7 juni 2021 te Eindhoven centraal. De verdachte had een Belgisch rijbewijs dat op grond van de recidiveregeling in artikel 123b WVW van rechtswege ongeldig werd nadat hij op 20 juli 2018 onherroepelijk was veroordeeld voor een eerdere overtreding.
De verdediging voerde aan dat het rijbewijs geldig bleef omdat de verdachte op het moment van het tweede feit in 2017 nog in België woonde, en dat de ongeldigheid niet met terugwerkende kracht mocht gelden. Het hof oordeelde echter dat de ongeldigheid van het rijbewijs inging op de datum van de onherroepelijke veroordeling, 20 juli 2018, toen de verdachte in Nederland woonachtig was, en verwierp het verweer.
Het hof achtte bewezen dat de verdachte op 7 juni 2021 wist dat zijn rijbewijs ongeldig was en toch een auto bestuurde. De verdachte werd veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van één week met een proeftijd van twee jaar. De straf weerspiegelt de ernst van het feit en houdt rekening met de persoonlijke omstandigheden en eerdere veroordelingen van de verdachte.