Conclusie
1.Inleiding
2.Het middel
3.Bewezenverklaring en overwegingen hof
Bewijsoverwegingen
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld wegens het besturen van een motorrijtuig zonder geldig rijbewijs, omdat zijn rijbewijs op grond van de recidiveregeling in artikel 123b WVW 1994 van rechtswege ongeldig was geworden. De verdachte voerde in cassatie aan dat het hof ten onrechte het rijbewijs ongeldig verklaarde, omdat hij ten tijde van het tweede delict in België woonde en in het bezit was van een Belgisch rijbewijs.
Het hof stelde vast dat het rijbewijs pas ongeldig wordt op het moment dat de tweede veroordeling onherroepelijk wordt, niet op het moment van het plegen van het feit. Op dat moment woonde de verdachte in Nederland, waardoor het rijbewijs van rechtswege ongeldig werd. De Hoge Raad bevestigt deze uitleg en wijst het cassatieberoep af.
De Hoge Raad benadrukt dat de recidiveregeling is bedoeld om de rijvaardigheid en -geschiktheid te waarborgen en dat het verlies van geldigheid van het rijbewijs pas ingaat bij de onherroepelijke veroordeling. Dit voorkomt onzekerheid en terugwerkende kracht. De verblijfplaats van de verdachte ten tijde van het tweede delict is niet relevant voor de ongeldigheid van het rijbewijs.
De verdachte was op de hoogte van de ongeldigheid van zijn rijbewijs sinds de mededeling daarvan in augustus 2018 en werd in 2021 aangehouden voor rijden zonder geldig rijbewijs. Het cassatieberoep faalt, en het arrest van het hof blijft in stand.
Uitkomst: Het rijbewijs van de verdachte werd van rechtswege ongeldig op het moment van de tweede onherroepelijke veroordeling, ondanks zijn verblijf in het buitenland ten tijde van het tweede delict.