Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
1.[de Holding] B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
[geïntimeerde] ,wonende te [woonplaats] ,
[de B.V. 1] B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
advocaat: mr. E. Gomes te Bergen op Zoom,
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/388452 / HA ZA 21-456)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep met productie 1;
- het tegen [geïntimeerden] en [de B.V. 1] verleende verstek;
- de memorie van grieven met producties 2-26;
- de zuivering van het verstek door [de B.V. 1] ;
- de memorie van antwoord van [de B.V. 1] ;
- de zuivering van het verstek door [geïntimeerden] ;
- de memorie van antwoord van [geïntimeerden] ;
- de akte van de curatoren met productie 27;
- de antwoordakte van [de B.V. 1] ;
- de antwoordakte van [geïntimeerden] met productie 1.
3.Waar gaat deze zaak over?
4.De beoordeling
a) een bedrag van vier honderd elf duizend een en zestig euro en zes en zeventig eurocent
- Hoofdsom: € 370.199,23
- Rente 10% van 20 december 2018 tot 9 oktober 2019: € 29.818,79
- Rente 7% van 9 oktober 2019 tot 25 augustus 2020: € 22.798,61
- Totaal: € 422.816,63
€ 95.408, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 2 januari 2021 tot aan de dag van volledige betaling, althans (subsidiair) tot betaling van het bedrag van € 87.827,86 te vermeerderen met de wettelijke rente over de (restant) hoofdsom van € 86.190,95 vanaf 17 april 2021 tot de dag van volledige betaling;
‘3.5 Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Het gaat in een geval als het onderhavige om benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering. Ter zake van deze benadeling zal naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW Pro, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt (vgl. HR 18 februari 2000, nr. C98/208, NJ 2000, 295).(…) In de onder (ii) bedoelde gevallen kan de betrokken bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen.’
“alsmede”op aangeven van de advocaat van [xxx] aan de hypotheekakte onder het kopje OPEISBAARHEID is toegevoegd (rechtsoverweging 4.1.10). [geïntimeerden] is er, zo begrijpt het hof, telkens van uitgegaan dat pas sprake was van opeisbaarheid indien zich één van de situaties genoemd in sub a-d voor zou doen. Gelet op de tekst van de VSO, de hypotheekakte en de achtergrond van de totstandkoming van de VSO, waarbij voor [de B.V. 2] de opheffing van het retentierecht van [xxx] op het appartement noodzakelijk was om de verkoop van het appartement te bespoedigen, acht het hof het niet onaannemelijk dat de bestuurders van [de B.V. 2] meenden dat de vordering van [xxx] pas opeisbaar zou worden na verkoop van het appartement. Dat [xxx] op 11 december 2019 heeft gemeld dat de vordering opeisbaar was (rechtsoverweging 4.1.11), waarover [geïntimeerde] heeft verklaard dat hij dit niet als zodanig heeft begrepen omdat zijn leidraad de VSO was, doet niets af aan de veronderstelling bij [geïntimeerden] Deze omstandigheid weegt het hof mee in het voordeel van [geïntimeerden] bij de beoordeling van de situatie zoals deze op 2 januari 2020 bestond.
krap zou worden” en dat dit ook blijkt uit zijn e-mail van 30 december 2019 (rechtsoverweging 4.1.14). Tijdens die mondelinge behandeling is gesproken over de verkoopprijs van het appartement. De rechtbank heeft in dezelfde rechtsoverweging overwogen:
“Hoewel [geïntimeerde] niet meer precies wist te zeggen wat de vraagprijs van het appartement was eind 2019, meende hij deze te hebben laten zakken tot € 359.000,-.”. In hoger beroep heeft [geïntimeerden] aangevoerd dat het appartement steeds te koop heeft gestaan voor € 367.000,- en op een later moment in prijs is gezakt (memorie van antwoord nr. 30). Onduidelijk is op welk moment dit precies is gebeurd en naar welke prijs exact. Dat een verwachte verkoopprijs van € 367.000,- of € 359.000,- niet in lijn zou liggen met de verkoopprijzen van de andere appartementen (memorie van grieven nr. 58) is gemotiveerd door [geïntimeerden] bestreden. [geïntimeerden] heeft in dat verband naar voren gebracht (memorie van antwoord nr. 32-33) dat de door de curatoren genoemde verkoopprijzen van de andere appartementen de verkoopprijzen exclusief de kosten van verbouwing van die appartementen (de aanneemsom) betrof, terwijl de vraagprijs van € 367.000,- voor het appartementsrecht zag op de verkoopprijs inclusief de aanneemsom. Het hof ziet geen aanleiding daaraan te twijfelen. Daarbij merkt het hof op dat, indien een dergelijke vraagprijs veel te hoog zou zijn (het hof begrijpt dat de curatoren stellen dat de vraagprijs tussen de € 137.500, tot € 248.000,- te hoog zou zijn, nr. 58 memorie van grieven), het in de lijn der verwachting had gelegen dat [xxx] ten tijde van de VSO meer zekerheden had bedongen. Toen was immers al duidelijk dat de hoofdsom die was verschuldigd door [de B.V. 2] aan [xxx] € 370.199,33 bedroeg, terwijl daarover vanaf 20 december 2018 een rente van 10% verschuldigd was. Bij een veel lagere te verwachten verkoopprijs was dan al duidelijk geweest dat de te verwachten verkoopprijs plus de borg (ruim) onvoldoende zou zijn om [xxx] te voldoen. In het dossier zijn geen aanknopingspunten te vinden dat partijen er ten tijde van de VSO vanuit gingen dat met de verkoop van het appartement en de borg de schuld aan [xxx] niet volledig zou kunnen worden voldaan.
“dorp als Hulst”. Voorts heeft [geïntimeerden] aangevoerd dat het appartement niet werd afgemaakt door [xxx] . Zo lag het grote dakterras van het appartement [naam 2] schots en scheef en sloot de schuifpui niet goed. Een en ander is niet, althans onvoldoende, gemotiveerd weersproken door de curatoren zodat het hof hiervan uitgaat. Het door de curatoren ingebrachte taxatierapport (productie 18 bij akte namens de curatoren) legt onvoldoende gewicht in de schaal. Als waarde peildatum is in het taxatierapport gekozen voor 10 december 2020, terwijl deze datum ruim na 2 januari 2020 is gelegen en bijvoorbeeld ook na het uitbreken van de coronacrisis. Ook is in het taxatierapport geen aandacht besteed aan de verkoopprijzen van de andere verkochte appartementen in hetzelfde complex en hoe deze verkoopprijzen zich verhouden tot de waarde van het appartement, terwijl dat juist voor de hand had gelegen. Dat het appartement minder heeft opgebracht omdat het onder druk van de curatoren is verkocht, zoals door [geïntimeerden] is aangevoerd, acht het hof aannemelijk.