De heffingsambtenaar van de gemeente Best stelde de WOZ-waarde van een woning vast en legde een aanslag onroerendezaakbelasting op. Belanghebbende maakte bezwaar en stelde beroep in bij de rechtbank, die het beroep gegrond verklaarde en de WOZ-waarde verlaagde. De heffingsambtenaar stelde vervolgens hoger beroep in bij het gerechtshof, maar dit werd buiten de beroepstermijn ontvangen.
De heffingsambtenaar voerde aan dat een verschrijving in het postbusnummer leidde tot retournering van het hoger beroepschrift, maar het hof oordeelde dat dit voor risico van de heffingsambtenaar komt en dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Hierdoor werd het principaal hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Als gevolg daarvan werd ook het incidenteel hoger beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 8:111, lid 1, Awb. Het hof zag geen aanleiding tot inhoudelijke behandeling en wees de proceskostenvergoeding toe aan belanghebbende in samenhang met een andere zaak.
Het vonnis werd uitgesproken door het gerechtshof 's-Hertogenbosch op 6 november 2024 en partijen werd gewezen op de mogelijkheid tot cassatie bij de Hoge Raad binnen zes weken na verzending van het vonnis.