AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Niet-ontvankelijkheid in hoger beroep van tussenvonnis ex artikel 843a Rv
In deze zaak stond het hoger beroep centraal tegen een tussenvonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 6 september 2023, waarin de rechtbank zich bevoegd verklaarde ten aanzien van een incident op grond van artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). De rechtbank had appellant grotendeels toegewezen om afschriften van stukken te verstrekken aan geïntimeerden, onder verbeurte van een gemaximeerde dwangsom.
Beide partijen, appellant en geïntimeerden, waren in hoger beroep gekomen tegen dit tussenvonnis. Het hof heeft ambtshalve onderzocht of het hoger beroep ontvankelijk was, aangezien tussenvonnissen in beginsel niet appellabel zijn tenzij de rechter anders bepaalt of het eindvonnis tegelijk wordt aangevochten. De rechtbank had geen verlof verleend voor tussentijds hoger beroep en het vonnis bevatte geen deelvonnis of voorlopige voorziening.
Het hof oordeelde dat noch appellant noch geïntimeerden ontvankelijk waren in hun respectievelijke hoger beroepen. De grieven tegen het tussenvonnis behoefden daarom geen inhoudelijke behandeling. De proceskosten in hoger beroep werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. De zaak werd terugverwezen naar de rechtbank voor verdere behandeling en beslissing in de hoofdzaak.
Deze uitspraak bevestigt de restrictieve toepassing van artikel 337 RvPro op tussenvonnissen en benadrukt het belang van ontvankelijkheidseisen bij hoger beroep van tussenvonnissen zonder verlof of deelvonnis.
Uitkomst: Beide partijen worden niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen het tussenvonnis en de zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank.
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.335.541/01
arrest van 19 november 2024
in de zaak van
[appellant],
wonende te [woonplaats] , Frankrijk,
appellant in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
hierna aan te duiden als [appellant] ,
advocaat: mr. R.G.J.M. Onderdonck te Eindhoven,
tegen
1.[geïntimeerde] ,wonende te [woonplaats] , Oostenrijk,
2. [geïntimeerde sub 2] ,wonende te [woonplaats] , Oostenrijk,
geïntimeerden in principaal hoger beroep,
appellanten in incidenteel hoger beroep,
hierna aan te duiden als [geïntimeerden] ,
advocaat: mr. N. Broeren te Tilburg,
op het bij exploot van dagvaarding van 13 oktober 2023 ingeleide hoger beroep van het vonnis in incident van 6 september 2023, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen tussen [appellant] (tezamen met de vennootschap naar frans recht SCI du Besset) als gedaagden in de hoofdzaak en verweerders in het incident en [geïntimeerden] als eisers in de hoofdzaak en incident.
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/394347 / HA ZA 23-404)
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.
2.Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep;
de memorie van grieven met producties;
de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep met producties;
de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep met producties.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
3.De beoordeling
in principaal en incidenteel hoger beroep
3.1.
In het bestreden vonnis heeft de rechtbank zich in het incident en de hoofdzaak ten aanzien van SCI du Besset op grond van artikel 4 VerordeningPro Brussel I-bis onbevoegd verklaard.
De rechtbank heeft zich bevoegd verklaard ten aanzien van het door [geïntimeerden] opgeworpen incident ex artikel 843a Rv, ertoe strekkende om [appellant] op de voet van artikel 843a Rv te gebieden aan [geïntimeerden] afschriften van stukken te verstrekken, en geoordeeld dat Nederlands recht van toepassing is. Deze vordering ex artikel 843a Rv is grotendeels toegewezen zulks onder verbeurte van een door de rechtbank gemaximeerde dwangsom.
In het bestreden vonnis is in de hoofdzaak tussen [geïntimeerden] en [appellant] geen verdere rolverwijzing gegeven.
3.2.
Van dit vonnis in het incident zijn [appellant] en [geïntimeerden] in hoger beroep gekomen.
Artikel 337 RvPro bepaalt dat van tussenvonnissen, behoudens van vonnissen waarbij een voorlopige voorziening wordt getroffen of geweigerd (waarvan in het onderhavige geval geen sprake is), hoger beroep slechts openstaat tegelijk met dat van het eindvonnis, tenzij de rechter anders heeft bepaald.
3.3.
[geïntimeerden] stellen in de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep dat het bestreden vonnis een zuiver tussenvonnis is dat niet appellabel is, waarvan tussentijds hoger beroep niet is opengesteld door de rechtbank noch daarom is verzocht.
[appellant] voert in de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep aan dat hij een materieel en juridisch belang heeft om de beslissing in hoger beroep te laten toetsen.
3.4.
Het hof zal (ambtshalve) beoordelen of partijen ontvankelijk zijn in dit hoger beroep.
In het vonnis van 6 september 2023 is ten aanzien van geen van de vorderingen van [geïntimeerden] ten aanzien van [appellant] in de hoofdzaak door een uitdrukkelijk dictum omtrent enig deel van het gevorderde een einde gemaakt, zodat dat vonnis niet is aan te merken als een deelvonnis. In het vonnis is niet bepaald dat tussentijds hoger beroep van het vonnis openstaat. Ook heeft de rechtbank niet na het tussenvonnis alsnog verlof verleend voor het tussentijds instellen van hoger beroep.
De conclusie is dan ook dat [appellant] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het principaal hoger beroep. Hetzelfde geldt voor het incidenteel hoger beroep van [geïntimeerden] . Op de grieven die zijn gericht tegen het bestreden vonnis behoeft niet te worden ingegaan.
3.5.
Nu beide partijen niet-ontvankelijk zullen worden verklaard, zal het hof de proceskosten compenseren in die zin dat beide partijen de eigen kosten draagt.
4.De uitspraak
Het hof:
op het principaal en incidenteel hoger beroep
verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in het principaal hoger beroep;
verklaart [geïntimeerden] niet ontvankelijk in het incidenteel hoger beroep;
compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat ieder van partijen de eigen proceskosten draagt;
wijst de zaak terug naar de rechtbank voor de verdere behandeling en beslissing.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, E.H. Schulten en J.M.H. Schoenmakers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 19 november 2024.