Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 0329396 \ OV VERZ 23-10)
2.Het geding in hoger beroep
- het hoger beroepschrift met producties 1-6.4;
- de memorie van antwoord met producties 1-2.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft in hoger beroep het vonnis van de kantonrechter Limburg bekrachtigd. De zaak betreft de vraag of tussen appellant en de overleden erflater een maatschap tot stand is gekomen en of de vereffenaar van de nalatenschap gehouden is uitvoering te geven aan het vermogensbeding en overnamebeding uit de maatschapsovereenkomst.
Hoewel een maatschapsovereenkomst op 23 december 2016 is ondertekend, is niet gebleken dat er daadwerkelijk sprake was van samenwerking, inbreng van goederen of arbeid, noch van verdeling van het door werkzaamheden behaalde resultaat. Er is geen administratie gevoerd, geen jaarstukken opgemaakt en de landbouwgronden van erflater zijn niet ingebracht in de maatschap. De stellingen van appellant over samenwerking en verdeling van voordeel zijn onvoldoende onderbouwd.
Het hof oordeelt dat de kantonrechter terecht heeft geoordeeld dat er geen maatschap is ontstaan en dat de vereffenaar niet verplicht is uitvoering te geven aan het vermogensbeding en overnamebeding. Appellant wordt veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep en het arrest is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Geen maatschap ontstaan en geen verplichting voor vereffenaar tot uitvoering vermogensbeding en overnamebeding.