Het gerechtshof 's-Hertogenbosch behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant waarin verdachte was veroordeeld tot 8 maanden gevangenisstraf voor het plegen van gewoontewitwassen. De rechtbank sprak verdachte partieel vrij van witwassen van meubels en contant geld. Het hof verklaarde verdachte niet-ontvankelijk voor zover het hoger beroep was gericht tegen deze vrijspraak.
De verdediging voerde aan dat in de voorfase van het onderzoek vormverzuimen waren begaan, waaronder het gebruik van een anonieme tip, het betwisten van het huisrecht van de wijkagent en het misbruik van controlebevoegdheden door instanties. Het hof oordeelde dat deze handelingen buiten het voorbereidend onderzoek vielen en onvoldoende onderbouwd waren om rechtsgevolgen te verbinden.
Daarnaast stelde de verdediging dat de geldbedragen waarmee de verbouwingen werden gefinancierd uit legale bronnen afkomstig waren. Het hof onderzocht diverse verklaringen over spaargeld, leningen en inkomsten, maar vond deze onvoldoende verifieerbaar en aannemelijk. Op grond van de feiten en omstandigheden kon het niet anders zijn dan dat de gelden uit enig misdrijf afkomstig waren, waarmee witwassen was bewezen.
De rechtbank had een gevangenisstraf van 8 maanden opgelegd, rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn. Het hof bevestigde deze straf, oordeelde dat de overschrijding gering was en geen verdere matiging rechtvaardigde. Het hoger beroep werd verder afgewezen.