Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[geïntimeerde] ,
C/01/332606 / HA ZA 18-233gewezen tussen de curator als eiser en [geïntimeerden] en de mede-gedaagden [persoon A] en [persoon B] als gedaagden.
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer: C/01/332606 / HA ZA 18-233)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven (met producties);
- de memorie van antwoord;
- de akte rectificatie d.d. 31 oktober 2023 van de curator, waarbij een verkeerde productie 80 is vervangen door de juiste productie.
3.De beoordeling
‘Aannemen en uitvoeren van landbouwwerkzaamheden, de handel in gewasbeschermingsmiddelen, biologische en chemische meststoffen en overige land- en tuinbouwproducten, teelt en deelteelt van akkerbouwgewassen, grondverzet, transport, containerverhuur, zeefwerken, bosbouw, verkleinen. Recycling. Ter beschikking stellen van arbeidskrachten’. De onderneming werd gevestigd op 22-11-1989 en vanaf 26-05-2009 als rechtspersoon gedreven. De ingebrachte onderneming werd op die datum gewaardeerd op € 1.957.691,=, waarvan een bedrag van € 1.939.000,= is opgenomen als agio reserve. Enig aandeelhouder en bestuurder van [de B.V.] was [xxx] Investments. De kinderen van [geïntimeerde] , [persoon A] (verder: [persoon A] ) en [persoon B] , waren gevolmachtigden. De jaarrekening over het boekjaar 2018 is gedeponeerd op 14-09-2019. [de B.V.] huurde de door haar gebruikte machines van [xxx] Investments.
[persoon C] heeft op 9 maart 2020 executoriaal derdenbeslag doen leggen onder [xxx] Investments en [bedrijf 5] (prod. 9a en 9b inl. dagv.).
De conceptjaarrekening 2019 d.d. 25 maart 2020 (prod. 47 inl. dagv.) vermeldt voor het [de B.V.] een netto omzet 2019 van € 3.123.427 en een inkoopwaarde van de omzet van € 317.666. Bij bedrijfslasten van € 3.025.742 resulteert dit in een bruto bedrijfsresultaat van - € 219.981. Het eigen vermogen van € 1.059.113 per 31-12-2018 is per 31-12-2019 gereduceerd tot - € 164.424.
‘(..) Op 23 november 2019 werd ik 75 jaar. Dat was een zaterdag en ik heb mijn familie uitgenodigd voor die zaterdagavond. Al mijn broers en zussen waren er, behalve mijn zusje die in Noorwegen woont. (…) later op de avond ben ik langs [geïntimeerde] gaan zitten en hij vertelde mij toen hoe verschrikkelijk zijn werknemer [persoon C] tegen zijn dochter [persoon A] te keer was gegaan. Hij heeft hem daarom ontslagen en het was een rechtszaak geworden, en dat had [geïntimeerde] verloren. [geïntimeerde] moest hem meer dan 200.000 euro betalen. Ik vond dat toen verschrikkelijk voor het gezin van [geïntimeerde] . Maar [geïntimeerde] zei toen ook tegen mij: hij krijgt niets, ik heb al het geld eruit gehaald en ik laat het loonbedrijf failliet gaan. Op 28 april 2020 stuurde hij aan mij en aan de hele familie een whatsapp met het bericht van het faillissement (…)’
‘(…) De familie wist niets af van de zaak tegen [persoon C] . Dat kwam pas ter sprake op de verjaardag van onze zus toen [geïntimeerde] dat bericht (toev. hof: een bericht in de Telegraaf d.d. 18 november 2019 met de kop “Scheldende monteur krijgt twee ton schadevergoeding”
) op zijn mobiele telefoon liet zien (..) en heeft meegedeeld dat hij de werknemer nooit zou betalen en dat hij de BV failliet zou laten gaan. Dat had hij al voorbereid met een goede advocaat in [plaats] . (..)’
Wat ik zelf heb meegekregen is dat een zusje reageerde op een appje van [geïntimeerde] over het faillissement met de woorden ‘oh wat erg’. [geïntimeerde] heeft toen gebeld met dat zusje en zij belde later met mijn man. Ik heb opgeschreven wat zij toen vertelde. (…)”.
‘Ik wilde je vragen of je kunt bevestigen dat onderstaand telefoongesprek heeft plaatsgevonden naar aanleiding van het faillissement van [de B.V.] op 28-04-2020. Nadat jij dit gehoord had, heb je via whatsapp gereageerd dat je dit heel erg vindt. Op 30 april 2020 belt [geïntimeerde] jou. Hij is dan aan het wandelen met zijn vrouw [persoon G] . Dan vraag je of het faillissement met Corona te maken heeft en [persoon G] reageert: "zo spelen we het nu". [geïntimeerde] vertelt jou dan diverse details waaronder: al kost het me 100.000 euro, ik ga [persoon C] niet betalen; (…) ik heb alles uit de BV gehaald, er zit niets meer in. Ik doe niemand tekort, ik heb aan al mijn verplichtingen voldaan. Ook niemand van het personeel gaat dit raken. Zou je mij kunnen bevestigen dat dit klopt?’
‘(..) Ik kan bevestigen dat dit gesprek heeft plaatsgevonden en dat je de inhoud van het gesprek correct hebt weergegeven! (..)’.
- het beroep van de curator op een niet voldaan zijn aan de boekhoudplicht moet worden gepasseerd en vordering I primair daarom niet toewijsbaar is (r.o. 4.4 en de voorafgaande overwegingen 4.3 en 4.3.1 t/m 4.3.4 vs);
- de twaalf door de curator aangevoerde gronden op zichzelf al weinig aannemelijk zijn en in het licht van de gemotiveerde betwisting van [geïntimeerden] niet kunnen leiden tot de conclusie dat sprake is geweest van onbehoorlijk bestuur of onrechtmatig handelen, zodat het sub I subsidiair, meer subsidiair en uiterst subsidiair gevorderde moet worden afgewezen (r.o. 4.6 en daaraan voorafgaande overwegingen 4.5.1 t/m 4.5.11 vs);
- de vorderingen sub III en IV worden afgewezen (r.o. 4.12 vs en daaraan voorafgaande overwegingen 4.7 t/m 4.10 en 4.11);
- vordering V moet worden afgewezen (r.o. 4.13 vs en de daarop volgende overwegingen 4.13.1 t/m 4.13.3).
al eerder aan de orde was geweest dat het wenselijk was de opzet van de organisaties aan te passen door de werknemers bij Recycling in dienst te laten treden en dit in 2019 in een stroomversnelling is geraakt’en dat
‘de intentie was om de activiteiten van het Loonbedrijf voort te zetten totdat de vraag volledig zou opdrogen of de overgebleven twee werknemers door natuurlijk verloop zouden zijn afgevloeid (cva 3.10)’.Ook in de notulen van de AVA d.d. 3 januari 2019 (prod. 30 inl.dagv) wordt daarvan gewag gemaakt in de daarin opgenomen ‘uitgangspunten/ toelichting dividendplan’, waarin is vermeld:
“Er wordt momenteel overwogen om (….) dividenduitkering te laten plaatsvinden. Reden hiervoor is de naderende bedrijfsoverdracht enerzijds, maar anderzijds ook de oplopende rekening-courantschulden tussen de B.V.’s onderling. (..) ”In de uitwerking wordt voor [de B.V.] de volgende situatieschets gegeven:
‘Rek. vordering [xxx] Investments € 986.864, liquide middelen € 57.530, geplaatste kapitaal € 18.000, agioreserve € 1.939.000, overige reserves € -897.887. (…) Wat echter wel van belang is, zijn de negatieve overige reserves. Hierdoor is een dividenduitkering in principe niet mogelijk. Wat wel mogelijk is, is het uitkeren van de agioreserve. Vervolgens kan deze uitkering verrekend worden met de rekening-courantvordering op [xxx] Investments.’
1. € 986.000,= op grond van vernietiging van de dividenduitkering van € 986.000,=;
4.De uitspraak
- de goedkeuring en uitkering van het agio dividend van € 100.000,=;