In deze civiele procedure is appellante in hoger beroep gegaan tegen een vonnis van de kantonrechter waarin zij samen met BPM Betonbouw B.V. hoofdelijk is veroordeeld tot betaling van een bedrag aan CS Factoring. Appellante verzocht om schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis, stellende dat loonbeslag en financiële problemen haar gezin ernstig zouden treffen.
Het hof constateerde dat BPM Betonbouw B.V. failliet is verklaard en dat de kantonrechter de uitvoerbaarheid bij voorraad had vastgesteld zonder motivering. Het uitgangspunt is dat een veroordeling hangende hoger beroep uitvoerbaar is, tenzij zwaarwegende belangen van de veroordeelde dit verhinderen.
Appellante voerde haar herstel na een operatie en financiële problemen aan, maar het hof vond deze belangen onvoldoende onderbouwd en aannemelijk gemaakt. De financiële buffer van CS Factoring werd niet als relevant beschouwd voor de belangenafweging.
Het hof wees daarom het verzoek tot schorsing af, hield de beslissing over de proceskosten aan en verwees de hoofdzaak naar de rol voor verdere behandeling. Dit arrest is gewezen door drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2024.